Schuilen bij God als je leven wankelt (n.a.v. Markus 9:14-29)

Door Janneke Bregman, geestelijk verzorger bij Cardia.

Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp’.

Bevrijdend om dat eerlijk te mogen zeggen, te mogen uitschreeuwen naar God. Het is niet nodig om ons groter of geloviger voor te doen. Alsof we het altijd wel weten en ervaren en vol moed en vertrouwen door het leven gaan. God kent ons en weet dat er in ons vertrouwen soms diepe scheuren zijn ontstaan. Dat onze roep naar Hem, net als die vader met zijn doodzieke kind, een schreeuw uit het diepst van onze ziel is. Een gebed tussen hoop en vrees. Wat bevrijdend dat we ons niet boven onszelf hoeven uit te tillen.

We mogen laten zien dat we kleine broze mensen zijn die vaak wankelend, stamelend en zoekend op weg gaan. Die soms helemaal niet meer weten wat we van God kunnen verwachten, omdat we ons zo teleurgesteld voelen door wat ons is overkomen of door wat we zien om ons heen aan verdriet en kwaad.

En dan toch te midden van dat alles biddend belijden, fluisterend of schreeuwend vanuit het diepst van onze ziel: ‘Wat verwacht ik nu o Here, mijn hoop is op U.’

Want door het gebed kon de zoon weer opstaan uit die donkere machten die hem naar het leven stonden. Niet dat Jezus een soort magische medicijnman is die met een formule duistere rituelen verbreekt. Of dat genezing wordt gezien als kenmerk van een waar geloof en als je niet genezen wordt je geloof niet goed genoeg zou zijn. Dat zou een heel pijnlijke boodschap zijn geweest, waarmee je op jezelf wordt teruggeworpen.

Nee, het is niet beslissend wat de discipelen konden en wat wij kunnen, hoe groot ons geloof is, maar dat we ons met alles wat in ons is toevertrouwen aan Hem en van Hem verwachten. Biddend geloven en gelovend bidden betekent niet dat alles goed komt hier en nu. Alsof het een middel is dat wij kunnen inzetten en waardoor we verzekerd zijn dat we ontvangen wat we vragen en als dat niet zo is, we teleurgesteld mokken en bij Hem vandaan gaan. Bidden is geen wensenlijstje inleveren, maar met God op weg gaan en vertrouwen op Gods nabijheid, op zijn opstandingskracht in je leven.

Bidden is als het ware adem halen uit God en daarin ligt de hele dag geborgen. Zo is gebed de bedding van ons leven, dat leven dat heen en weer geslingerd wordt tussen geloof en ongeloof, vertrouwen en angst, wanhoop en hoop. Maar in dat alles een adres weten, daar waar je schuilen kunt met alles wat er in je is. Aan wie je je hele leven kunt toevertrouwen. Omdat Hij zegt: ‘Mijn Naam is ‘Ik ben erbij.’ Want waar Ik kom daar raakt het licht het leven aan, omdat Ik zelf in die weg van de donkerheid en dood ben afgedaald.’

Dan kun je in die weg van het gebed soms zomaar iets ervaren van Zijn nabijheid. Dat betekent niet dat al onze vragen worden opgelost en onze ziekten worden genezen. Gebed is geen succesmethode voor een onbezorgd leven. Bidden is de ontvankelijke houding, waarin er ruimte ontstaat om God in ons leven te laten werken. Dat betekent dat midden in de gebrokenheid, daar waar we mee worstelen – en dat kan heel diepgaan – we telkens tekenen van hoop en verlossing merken. Want in het wandelen met God, in de werkelijke overgave, ligt heil verborgen.

Afbeelding: www.schildertaal.nl/projecten/gouden-waterval-van-hoop

Overwinnaar

Dit is een meditatie uit 2017.

Wat mij de weken na Pasen bezighield, was de gedachte dat de Bijbel gelovigen overwinnaars noemt. En dat is opvallend. Christus verdient het predicaat ‘overwinnaar’. Maar gelovigen? Wat is de alledaagse werkelijkheid?

Geen winners, maar losers
Allereerst is het moeilijk een verschil te zien tussen gelovigen en niet gelovigen. Ik kan me haast niet aan de indruk onttrekken dat niet gelovigen het in onze maatschappij beter doen dan gelovigen. De echte ‘winners’ zijn vaak niet gelovig. In het zakenleven, in de politiek, in de sport. En als het om niet materiële zaken gaat: iedereen heeft wel eens verdriet. Iedereen komt vroeg of laat in het ziekenhuis. En om het grof te zeggen: iedereen gaat dood. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.

Het is figuurlijk gesproken net zoals met de Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog: we leven allemaal in bezet gebied. We hebben allemaal dagelijks met de vijand te maken. We zijn met elkaar geen ‘winners’, maar ‘losers’. Gelukkig voelt dat niet altijd zo. Je kunt het zelfs tijdens de bezetting redelijk goed hebben. Maar echte winnaars zijn we niet. Daarvoor hebben we teveel problemen.

In de put
Je krijgt voor de tweede keer een kwaadaardige tumor. Deze keer is er niets meer aan te doen. Je moet gaan sterven. Wat kun je je bij zulke berichten een verliezer voelen. Arts en patiënt. ‘We kunnen niets meer doen’. En dat is maar één voorbeeld. Gelovige mensen krijgen ook kanker. Gelovige mensen zitten ook in de put. Gelovige mensen hebben het vaak ook moeilijk. Waarom worden zij dan overwinnaars genoemd?

Misschien kan dat beeld van de oorlogstijd ons helpen. Heel Nederland was toen bezet. Iedereen had daar mee te maken. Alleen niet iedereen was er op dezelfde manier mee bezig. Zo kwamen sommigen in verzet, anderen niet. Verreweg het overgrote deel had zijn hoop gevestigd op de geallieerden. Maar er waren er ook die sympathiseerden met de Duitsers. Dat bleek na de oorlog wel. Velen deelden toen in de overwinning. Maar er gingen ook mensen de kampen in… Het lag er maar aan bij wie je hoorde. Vooral bij wie je hoorde in oorlogstijd…

Zijn overwinning
Christenen willen behoren bij Jezus Christus. Jezus Christus, die overwinnaar is. Hij overwon dood en graf. En Hij heeft gezegd dat wie Hem volgen, in Zijn woorden geloven, ook eens in die overwinning zullen delen. Daarom heten christenen ook overwinnaars. Ze hebben zelf niet gewonnen. Maar geloven in Zijn overwinning. Ze zijn ervan overtuigd dat Zijn overwinning de rest van de geschiedenis van deze wereld bepaald. Het resultaat staat vast. De einduitslag is al bekend. Daar geloven zij in.

Overwinnaar zijn is daarom geen kwestie van voelen. Maar van geloven. Wat je voelt is pijn. Wat je voelt is aanvechting. Wat je gelooft is Zijn overwinning. Daarin zal je delen. En dat te weten, bepaalt nu al je leven. Is het niet van buiten, dan zeker van binnen.

Lees eens Romeinen 8:35-37, ter bemoediging.

Geschreven door Ds. Arie van der Veer.

Hoopvol leven in stormachtig leven vol verlies

Momenten van diepe wanhoop. Ken je die? Dat de grond onder je voeten vandaan zakt en je benen je niet kunnen dragen? De tranen over je wangen stromen? Dat een brok verdriet zich snotterend een weg naar buiten baant? Of juist die hele stille schreeuw die zich diep van binnen vastzet en je adem doet stokken? Je weet het even echt niet meer. Het verdriet is te groot…

Bijbelse wanhoop
Psalm 88 is een psalm waar de dichter over dat gevoel vertelt. Hij schreeuwt het uit naar God. Zo goed dat ook deze psalm in de bijbel staat. Mij biedt het ook troost te weten dat Jezus echt verontwaardigd was/is over leed. Hij huilt als Lazarus gestorven is, hij schreeuwt het uit aan het kruis. Hij praat het lijden niet weg terwijl Hij als geen ander weet dat het goed zal komen; dat is Zijn belofte! Tot die tijd kunnen wij hier door de gebrokenheid diep en intens geraakt worden. God kan dan bestormd worden met vragen, onzekerheid en twijfel. Ook dat mag! Natuurlijk is het fijn als iemand steeds stevig kan blijven vasthouden aan Gods beloften. Maar de bijbel laat ook zien hoe mensen worstelen, zoeken en twijfelen. Het is belangrijk daar oog voor te hebben, er dan juist ook voor die ander te zijn.

Hoe verdergaan?
We kunnen al te snel door willen naar de hoop, naar het licht… Terwijl we soms alleen gewoon naast iemand kunnen zitten zonder iets te kunnen zeggen of doen… alleen ‘er zijn’. En als het jezelf betreft kun je soms alleen maar bij God schuilen in je diepe wanhoop. Hij is erbij en kent ons echt… en we hoeven geen schone schijn op te houden.

Echt erkennen dat je soms machteloos bent, los moet laten. Dat kan een heel nare diagnose zijn; een trieste boodschap over een geliefde; een groot verlies. Vul zelf maar in. Zeker in deze tijd van Corona kun je je dan extra eenzaam voelen. Waar haal je kracht vandaan weer op te staan en verder te gaan? Je toekomstplannen zijn zomaar helemaal veranderd.

Ik heb moeten leren die momenten er te laten zijn… ook die gaan voorbij. Struikelend vervolg je dan toch weer je weg. In elk geval heeft het geen zin te doen alsof al die emoties er niet zijn. Op een of andere manier komen ze er toch wel uit, je kunt er niet voor weglopen. Je kunt echter ook niet alleen maar bezig zijn met je verlies, dan loop je ook vast.

Een bootje
Ik kreeg onlangs een mooie metafoor van Gertie Mooren onder ogen. In dit leven heeft iedereen een bootje met 2 peddels. Met rechts ga je naar de toekomst, je werk, de afleiding. Ook wel ‘doorgaan met leven’ genoemd. Vermijding of verslaving aan de afleiding die de pijn verdringt, kan dan het gevolg zijn. Links vaart naar het verleden, het verlies en alle gevoelens. Hoe je de peddels gebruikt is voor iedereen anders. Er is geen goed of fout!

Maar als je alleen naar rechts peddelt – alleen maar doorgaat – ga je in cirkeltjes en kom je niet vooruit. Als je alleen links peddelt – wegzinkt in verlies – kom je ook niet vooruit. Ieder bepaalt zelf zijn of haar richting en tempo. Van belang is dat het bootje in beweging blijft. En dat ieder respect heeft voor de ander, ook als die anders vaart. De een gaat eerst ‘gewoon’ door na een verlies, de ander wordt direct gegrepen door het verdriet.

Het leven gaat verder. Dat hoor je vaak zeggen. Dat klopt ook, maar toch komt je verlies soms ‘zomaar’ weer hevig naar boven… onverwachts door iets kleins. Je bootje wordt naar links geblazen… wat doe je er mee? Je kunt niet voorkomen dat het stormt op zee, het gaat er dan om hoe jij zelf de peddels gebruikt. En als je merkt dat je rondjes blijft draaien, zoek dan hulp.

Hoopvol leven
Mij helpt het ook om, heel bewust, steeds weer te kijken naar wat er (nog) wel is. En ik probeer nieuwe dingen te ontdekken die er voorheen niet waren. Dit ook opschrijven kan meer inzicht geven om bewust dankbaar te zijn voor wat er wel is. En steeds opnieuw beseffen dat de Ander er is en zal zijn. Sommige dagen blijft het een worsteling, andere dagen geeft het rust. Leven is een geschenk!

Wijanda Heslinga

Meer over Wijnanda Heslinga: www.schildertaal.nl Levenskunst, coaching.

Vertrouwd met ziekte

De stichting Als kanker je raakt brengt mensen bij elkaar die op een of andere manier met kanker te maken hebben (gehad).

Het is fijn om elkaar te ontmoeten. Om met een ander te kunnen spreken die hetzelfde heeft meegemaakt. Wat een vragen kunnen bij je leven als de diagnose ‘kanker’ is vastgesteld. Je bent bang. Je wordt bestormd met vragen. Hoe zal het gaan?

Over een aantal dagen heb je weer een gesprek met de arts. Maar bij wie kun je vandaag terecht?

In de Bijbel staat dat Jezus vertrouwd was met ziekte. ʻHij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was.’ Jezus kent onze ziekte en onze zwakheid van binnenuit.

In de brief aan de Hebreeën staat dat heel mooi beschreven:

‘Juist omdat Hijzelf op de proef werd gesteld en het lijden volbracht heeft, kan Hij ieder die beproefd wordt bijstaan’ (2:15).

‘Want de Hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde’, (4:15).

Als er iemand tegen ons kan zeggen: ‘Dat heb ik ook meegemaakt, dan is Hij het wel.’

Wat mij bij het opnieuw lezen van deze bekende teksten trof was, dat de pijn die Jezus lijdt niet tot het verleden behoort. Ja, Hij heeft geleden. Ja, Hij heeft de dood overwonnen. Maar ook in de hemel is Hij het hoofd van Zijn lichaam. En de Bijbel zegt dat als één lid lijdt, dan lijden alle leden mee. Dus ook het hoofd.

Jij lijdt. Hij lijdt ook. Jij voelt angst. Het ontgaat Hem niet.

Omdat Jezus één is met ons, voelt Hij ook nu onze pijn en onze verdriet. Hij is echt onze hemelse Advocaat en pleit dagelijks voor Gods troon voor ons.

Die twee teksten vertellen van twee zegeningen waarop je mag rekeningen. Het zijn er vast en zeker meer. Maar in die twee teksten is sprake van hulp en meevoelen.

De hemel ziet dus niet werkeloos toe. Onze pijn is Zijn pijn. Hij heeft het niet eeuwen geleden gevoeld. Hij voelt het dagelijks. ‘Hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn kostbaar in Zijn oog’

Geschreven door Arie van der Veer.

Als je moe bent

Iedereen is wel eens moe.
Een belangrijke vraag is: waarvan?

Ben je moe, omdat je hard hebt gewerkt?
Of ben je moe omdat je de spanningen die er in je leven zijn niet meer aan kan?

Moe kun je zijn op vele manieren. Je kunt gezond moe zijn. Je lichaam heeft rust nodig. Na een nachtje slapen is het weer helemaal over. Je kunt ook geestelijk moe zijn. Innerlijk ben je op. Je kunt het leven niet meer aan. Je hebt geen energie meer.

Soms is het een combinatie van beide. Je lichaam wil niet meer maar ook de bezieling is uit je leven.

Soms kun je moe zijn en je weet niet waardoor het komt. Je begrijpt niet waarom het uit bed komen al moeheid veroorzaakt. Het overkomt mensen die later blijken ziek te zijn, maar ook veel mensen die ziek zijn geweest. Je bent hersteld, maar je blijft ontzettend moe.

Mensen die vaak moe zijn komen ook vaak alleen te staan. Energiegebrek kost je kennissen en vrienden. Je gezin moet zich aanpassen. Je vrije tijd wordt anders besteed dan vroeger. Ook in de kerk ben je er niet altijd meer.

Moe zijn heeft vele kanten. En vele gevolgen.

Als jij moe bent, is het goed je af te vragen: waardoor ben ik nu moe? Waarom voel ik me zo?

Jezus heeft ooit de beroemde woorden gesproken: ‘Komt naar Mij, jullie die vermoeid zijn’. Dat is een geweldig woord. Ieder die moe is, mag bij die uitnodiging zijn oren spitsen. Want Jezus heeft er verstand van. Hij weet wat moe zijn is. En niet alleen lichamelijk moe zijn. Hij is ook geestelijk vermoeid geweest. Op het laatst kon Hij niet meer.

Weet je wat ik fijn vind? Moe zijn is normaal niet iets waarvoor je kiest. Het overkomt je om allerlei redenen. Maar van Hem is het een bewuste keuze geweest. Hij, die alle geluk van de hemel bezat wilde vermoeidheid, uitputting, tranen en verdriet ervaren. Hij wilde worden zoals wij. Ons leven delen. Ook ons moe zijn. Moe van zoveel dingen.

Jezus zegt: ‘Kom naar Mij’.

Als er Eén is die mij begrijpt, dan is het Hij. Als er Eén mij kan helpen dan is Hij het. Hij kan mij genezen. Maar word ik niet beter: Hij kan me energie geven terwijl ik geen conditie meer hebt. Geestelijke kracht als ik lichamelijk zwak ben.

En dan nog iets:
Wat ik ook bedenk is dat Hij moe is geweest door mij. Niet in de eerste plaats van en door een ander, maar door mij. Toch zegt Hij tegen mij: ‘Kom naar Mij’. Is dat niet geweldig!

Het moeten leven met weinig energie wordt zo nog rijker dan 16 actieve werkuren per dag zonder Hem.

Geschreven door Arie van der Veer.

Hij weet het door ds. Arie vd Veer

‘HEER, mijn God, dat weet U alleen’
Ezechiël 37:3

Ken je het beroemde visioen van het dal vol met botten van mensen die veranderden in levende mensen? De profeet Ezechiël kreeg in de ballingschap dat visioen. Hij werd meegenomen door de Geest van de HERE en die bracht hem naar dat dal. De HEER liet hem om het dal heen lopen. Toen zag hij duizenden botten. Ze lagen verspreid over het hele dal. Wit geblakerd door de zon. Hier had zich jaren geleden een ramp voltrokken. Toen vroeg de Heer aan hem: ‘Mensenkind, denk je dat die botten weer kunnen veranderen in levende mensen?’

Hoe kun je zoiets vragen? Bij een doodsvallei. Een dal van wanhoop. Een uitzichtloze situatie. De rillingen lopen over je lijf.

God komt met een voor mensen onmogelijke vraag. Als het een mens zou zijn die deze vraag aan ons zou stellen, zou je kunnen reageren met: ‘Hoe haal je het in je hoofd om de vraag zelfs maar te bedenken?’

Gods vraag was overigens een reactie. Een reactie op het geklaag van het volk van God in de ballingschap. Het was de wanhoop nabij. ‘Het is afgelopen met ons! We hebben geen hoop meer. We zijn net als uitgedroogde botten, waar geen leven meer in zit.’

Vandaar dat God Zijn knecht Ezechiël meenam naar dat dal. ‘Wat dacht je Ezechiël? Is deze situatie voor mij uitzichtloos?’

Wat moet je antwoorden als God zelf je die vraag stelt? En jij in je hart denkt: ‘Dat kan niet meer’. Weet je wat Ezechiël zei? ‘HERE, HERE, Gij weet het.’ Het is een antwoord om te onthouden. Ezechiël kon haast geen beter antwoord geven. Een antwoord dat getuigde van grote bescheidenheid. Maar ook van geloof. Ezechiël verwoordt een diepe waarheid: wij weten het niet, Gód weet het. Ezechiël besefte met wie hij te maken had. De HERE God stelde hem die vraag. Hij, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde. De God van het leven. Wiens gedachten niet onze gedachten zijn. Ze gaan ons verstand en gevoel verre te boven.

Een antwoord om te onthouden. Omdat er veel meer situaties in het leven zijn die je uitzichtloos zou kunnen noemen. Laten we er één noemen. Je hebt kanker, je bent uitbehandeld. En dan komt de vraag naar boven: ‘Kan God mij beter maken?’

Hij kan het zeker. Maar of het gebeurt?
Laat het over aan Hem. Besef wie Hij is.
‘HEER, mijn God, dat weet U alleen’.

Geschreven door Arie van der Veer

Mensen met barstjes

Er wordt gezegd dat de Amerikaanse president Abraham Lincoln tijdens een moeizame avond van overleg over overheidszaken zijn collega’s naar buiten leidde. Hij wees hen op een lichte vlek in de sterrenhemel. ‘Dat heren’, zou hij gezegd hebben, ‘is de nevel Andromeda; het dichtstbijzijnde sterrenstelsel in het universum bij onze eigen Melkweg. Andromeda staat drie miljoen lichtjaar bij ons vandaan en is samengesteld uit meer dan honderd miljard sterren, waarvan de meeste groter zijn dan onze eigen zon. Het is één van de meer dan duizend miljoen sterrenstelsels in het universum. Nu we weer weten hoe klein we zijn, kunnen we terug naar binnen.’

Als ik naar de sterrenhemel kijk, moet ik soms aan deze uitspraak van Lincoln denken. Toen ik zelf als twintiger kanker kreeg, besefte ik meer dan ooit tevoren hoe klein en kwetsbaar ik ben. Alle afspraken in mijn agenda stonden op losse schroeven. Ik ben me er bewust van geworden dat we onze dagen ontvangen. We kunnen van alles willen, maar hebben het niet in onze eigen hand. In het hele universum zijn we zelfs niet meer dan een klein stipje. Van de ene op de andere dag kan het leven er totaal anders uitzien. Ja, ook als je nog jong bent. Die gedachte beangstigt mij wel eens.

De Psalmen bieden houvast. In Psalm 8 staat: ‘Wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet?’ En in Psalm 139 lezen we dat God ons zelfs al zag voor onze geboorte, in de buik van onze moeder. Ik vind het wonderlijke beelden van nabijheid. We zijn waardevol in Gods ogen. Daardoor heeft ons leven betekenis. Het doet ertoe dat we hier zijn. We zijn schatten in aarden vaten.

Dat we zo klein en kwetsbaar zijn, is soms beangstigd. Maar het zet ons er ook bij stil hoe groot het wonder is dat we hier op aarde leven. En hoe wonderlijk het is dat God ons ziet en kent. Ons leven en onze worstelingen zijn niet onopgemerkt. We zijn hier niet zomaar, maar zijn een onderdeel van Gods grotere plan. God werkt zelfs door onze breuklijnen heen.

Er is oud verhaal over een man die zijn been verloor. Hij trok zich terug in een klooster. Zijn boosheid op het leven weerspiegelde zich in de tekeningen die hij maakte van gebarsten vazen en andere beschadigde dingen. Ze stonden voor zijn eigen gebrokenheid. In de loop van de tijd vond hij innerlijke rust en veranderde zijn visie op het leven. Toch bleef hij kapotte vazen tekenen. Zijn leermeester vroeg op een dag aan hem: ‘Waarom teken je de vazen nog steeds met barsten erin? Voel je je nog niet geheeld?’  De man antwoordde: ‘Jawel, en datzelfde geldt voor de vazen. Maar via de scheur komt het licht binnen.’

Ds. Sijbrand Alblas

Meditatie: Fluistering in de nacht

Maan

En dan is het zover….
De spannende tijd van het ongeneeslijk ziek zijn van degene die je zo lief is, ligt achter je.
Na de kanker is nu ook de dood je huis binnengeslopen. Soms als een dief in de nacht.
Mijn neefje Maarten van tien zag het beeld van de dief voor zich toen zijn oma was overleden. Hij verwoordde dit zo:

De dood

De dood is als een dief in de nacht –
Tussen licht en donker zit een deur
Het licht is de mens
het donker is de dood.
Op die deur zit een slot
het hart wordt zwakker, en het slot roest…
Het slot valt van de deur, en de dood komt binnen.
Het licht wordt donker
en de mens is gestorven.

In de ogen van een kind wordt het definitieve duidelijk zichtbaar:
‘En de mens is gestorven…’

Door de dood is voorgoed een andere tijd aangebroken.
Een tijd van diepe rouw.
Een tijd van immens verdriet.
Een tijd van alomvattend gemis.

Vaak ook een tijd van vragen:
Waar is God in dit alles?
Wat is de bedoeling van dit verlies?
Waar is het voor nodig dat mijn geliefde ons nu al moest verlaten?

Want zo kan het voelen, dat God dit voor ons heeft bedacht.
Waarom overkomt ons dit? Het strijkt totaal tegen ons gevoel in.
Ons verstand kan dan wel zeggen, dat iedereen ergens aan moet overlijden. En dat misschien onze genen wel een rol spelen in het tijdstip.
Maar ons gevoel antwoordt dan onmiddellijk dat het nog veel te vroeg is. Dat het zeker niet nu had moeten gebeuren, terwijl er nog zoveel mooie plannen op stapel stonden….

Hoe vinden we een uitweg tussen ons verstand en ons gevoel? Met bovendien een God op afstand. Een God die geen antwoord lijkt te geven en ons met al onze vragen alleen lijkt te laten.
Aan het begin van de 20e eeuw schreef de gelovige dichter Rainer Maria Rilke over soortgelijke vragen aan een collega onderstaande woorden terug. Het komt erop neer dat ‘geduld’ het sleutelwoord is. Hij schreef:

Heb geduld

Heb geduld met alles wat in het hart nog niet helder is
en probeer de vragen zelf lief te hebben
als gesloten kamers,
als boeken die in een zeer vreemde taal
geschreven zijn.

Zoek niet naar de antwoorden
die je niet gegeven kunnen worden,
omdat je ze niet leven kunt.
En daar gaat het om: alles te leven.
Als je met de vragen leeft
dan leef je misschien geleidelijk aan
ongemerkt ooit op een dag in het antwoord.

Misschien is het – geduldig – op God blijven vertrouwen wel het antwoord op onze vragen van nu. Misschien ook wel het enige antwoord op onze pijn, onze rouw, ons verdriet en ons gemis. In de Psalmen staat geschreven dat God dit allemaal ziet en ‘moeite en verdriet aanschouwt om het in zijn hand te leggen’. Om het te wegen…! (Psalm 10:14) Daar spreekt liefde en nabijheid uit.

De uitnodiging ‘om alles in zijn hand te leggen’ biedt ook ruimte om voor het positieve te blijven kiezen. De dichter Sytze de Vries geeft ons daar een handvat voor. In zijn gedicht ‘Fluistering in de nacht ’stelt hij aarzelend telkens twee posities tegenover elkaar. De fijngevoelige titel is veelzeggend want we beseffen maar al te goed hoe belangrijk het voor ons is, ‘dat ons leed door anderen goed gewogen wordt’ (Job 6:2). Je kunt er soms zo hartstochtelijk naar verlangen dat de diepte van je leed gepeild wordt. Door anderen. Maar vooral ook door dé Ander. Het gedicht klinkt zo:

Fluistering in de nacht

Je kunt huilen omdat iemand die je lief was er niet meer is
of blij zijn omdat diegene heeft geleefd.

Je kunt je ogen sluiten en hopen dat hij of zij terugkomt
of je kunt je ogen openen en zien wat diegene heeft achtergelaten.

Je hart kan leeg zijn omdat deze persoon er niet meer is
of je kunt vervuld zijn van de liefde die je kon delen.

Je kunt je afwenden van de toekomst en in het verleden leven
of je kunt proberen door te gaan vanwege gisteren.

Je kunt iemand alleen herinneren omdat die persoon er niet meer is
of je kunt haar of zijn gedachten koesteren en die laten voortleven.

Je kunt huilen, je leeg voelen of je omdraaien
of je kunt doen wat hij of zij wilde:
Iets van jezelf maken en trots zijn op wie je bent.

Hoewel met aarzeling opgeschreven, komt hier een heilzame perspectiefwisseling tot stand.
Lang niet eenvoudig om daarin mee te bewegen.
Gelukkig worden we niet gedwongen. Wel hebben we een eigen verantwoordelijkheid.
De keuze is aan ons…!

Gettie Kievit

Medicijn tegen angst door ds. Arie vd Veer

Het ging over de coronacrisis.
‘Bent u bang?’, vroeg de televisiepresentator aan zijn gasten.
De een zei dit en de ander zei dat. Maar niemand zei dat hij echt bang was.

Het kan zijn dat het komt omdat ik bij de zeer kwetsbare mensen hoor, maar ik ben soms wel bang. Misschien is angst niet het juiste woord. Misschien is het meer een vorm van bezorgd zijn. Maar dat kan je ook echt wel naar de keel grijpen.

Wat heb ik geleerd:
Angst hebben, bang zijn hoort bij ons leven.

Wiens hart gaat niet sneller kloppen als er een ct scan is gemaakt en je gaat naar de dokter voor de uitslag. Wie slaapt er niet onrustig als die ander nog steeds niet thuis is en niets van zich heeft laten horen!

Angst kan nuttig zijn. Het maakt ons waakzaam. Het is een van de symptomen, die bij ons menselijk bestaan past. Een sneller kloppend hart, sneller stromend bloed en de aanmaak van adrenaline, bereidt het lichaam zich voor op vluchtgedrag. In sommige situaties kan angst heel nuttig zijn.

Angst hoort er bij. Anderen wezen mij er op. Ik voelde me schuldig als ik bang was. Ik had het gevoel, dat ik te weinig vertrouwde op God.

Wel zijn vele vormen van angst. Er is gezonde maar ook ongezonde angst. We kunnen zo onzeker zijn, dat we de hele dag bezig zijn met wat andere mensen over ons denken. We kunnen faalangst hebben en altijd bang om fouten te maken. We kunnen bang zijn om niet door God geaccepteerd te worden. Zo kunnen we ook voortdurend bang zijn voor het kwaad, voor ongelukken of voor die gevreesde ziekte.

Deze weken zijn er heel wat mensen banger dan anders. En dat is ook niet zo verwonderlijk. Dag in dag uit worden we belaagd door negatieve krantenkoppen, alarmerend nieuws via radio en tv. Het corona virus is als een onzichtbare vijand. ‘We zijn in oorlog’, zei de Franse president. De hele wereld wordt getroffen. Hoe lang gaat dit duren? Hoe komen we er weer uit?

De Bijbel is duidelijk over angst. Telkens zien we in de Bijbel dat God weer tegen volk zegt: ‘Vrees niet.’ Het is een appèl dat we in verschillende bewoordingen door de hele Bijbel heen terug kunnen vinden, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Bijna 400 keer. Daaruit kun je de conclusie trekken dat God het heel belangrijk vindt dat zijn kinderen zich niet laten leiden door vrees.

Om de angst tegen te gaan, zijn bij God drie krachtige medicijnen beschikbaar.

Het eerste medicijn is: geloof

In Marcus 5:36 lezen we: ‘Vreest niet, geloof alleen’.
Tegenover de vrees staat hier het geloof. Je kunt dus kiezen om of het één of het ander te doen! Angstige gedachten ban je niet zomaar uit. Maar je kunt wel deze Bijbelse gedachte daar boven stellen. Gedachten van vrees vervangen door gedachten van geloof

Het tweede medicijn is hoop

In Hebreeën 6:9 lezen we:
’Dankzij Jezus is ons vertrouwen heel groot. Het lijkt op een anker, waarmee een schip veilig vastligt.’

1 Petrus 1:3
Het is ‘door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop’.

Stormen gaan niet zomaar liggen. Maar zeg het in gedachten steeds voor jezelf op: Ik heb een anker.

Het derde medicijn is liefde.
1 Johannes 4:16: ‘God is liefde. Iedereen die in liefde leeft, hoort voor altijd bij God’.

Twijfel daar niet aan. Dit zegt het Woord van God.

Drie medicijnen.
Die steeds beschikbaar zijn. In tijden van angst.

Vraag er om bij God.

 

Ds. Arie van der Veer

Mee-lijden

Het is inmiddels ruim 10 jaar geleden.

Bij mij was prostaatkanker geconstateerd. Ik moest een kleine 40 keer worden bestraald. En ben toen ook begonnen met het gebruiken van hormonen. Ruim drie jaar kreeg ik die spuiten.

Ik zal je niet vermoeien met wat er in die tien jaar is gebeurd. Neem van mij aan dat het heel veel was.

Deze zomer bleek de kanker weer actief te zijn.
Voor de derde keer. En opnieuw zijn we aan de behandelingen begonnen.

Mensen leven volop mee.
Zijn nieuwsgierig naar de prognose.
Die weten we niet. Om de drie maanden is er een uitgebreide controle.

De tijd tussen de spuiten is niet eenvoudig.
Veel heb ik aan het meeleven van mensen. Voor mij geeft er over praten lucht. Gewoon vertellen hoe het is, doet mij goed.

Er over willen praten, zal niet ieder willen.
Je zult er raar van opkijken, maar ik vind het er met God over praten nog het moeilijkst. Waarom? Omdat God mij al zoveel keren geholpen heeft. Langer dan de 15 jaar die koning Hizkia van God in zijn ziekte kreeg.

Ik bid nu gemakkelijker voor anderen dan voor mezelf. Wordt God niet moe van mij? Is nu niet een ander eerder aan de beurt om geholpen te worden?

Deze tekst uit de Bijbel helpt me gelukkig.
Je vindt het in het boek Hebreeën. Daar staat in hoofdstuk 4:15:
‘Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden’.

God weet van mijn bestaan. Jezus, zegt de Bijbel daar, leeft mee. Hij heeft niet alleen vóór de mensen geleden, maar ook mét de mensen.

Als ik aan dit aspect van het lijden van Christus denk, kan mij dat diep troosten. Christus komt dan heel dicht bij ons staan: Hij strijdt mee. Hij lijdt mee. Er staat niet voor zolang. Er staat: zo is Hij. Hij lijdt mee: voor altijd.

Medelijden van mensen is best fijn.
Mee-lijden van Jezus strekt nog veel verder.
ALTIJD.