Mensen met barstjes

Er wordt gezegd dat de Amerikaanse president Abraham Lincoln tijdens een moeizame avond van overleg over overheidszaken zijn collega’s naar buiten leidde. Hij wees hen op een lichte vlek in de sterrenhemel. ‘Dat heren’, zou hij gezegd hebben, ‘is de nevel Andromeda; het dichtstbijzijnde sterrenstelsel in het universum bij onze eigen Melkweg. Andromeda staat drie miljoen lichtjaar bij ons vandaan en is samengesteld uit meer dan honderd miljard sterren, waarvan de meeste groter zijn dan onze eigen zon. Het is één van de meer dan duizend miljoen sterrenstelsels in het universum. Nu we weer weten hoe klein we zijn, kunnen we terug naar binnen.’

Als ik naar de sterrenhemel kijk, moet ik soms aan deze uitspraak van Lincoln denken. Toen ik zelf als twintiger kanker kreeg, besefte ik meer dan ooit tevoren hoe klein en kwetsbaar ik ben. Alle afspraken in mijn agenda stonden op losse schroeven. Ik ben me er bewust van geworden dat we onze dagen ontvangen. We kunnen van alles willen, maar hebben het niet in onze eigen hand. In het hele universum zijn we zelfs niet meer dan een klein stipje. Van de ene op de andere dag kan het leven er totaal anders uitzien. Ja, ook als je nog jong bent. Die gedachte beangstigt mij wel eens.

De Psalmen bieden houvast. In Psalm 8 staat: ‘Wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt,
het mensenkind dat U naar hem omziet?’ En in Psalm 139 lezen we dat God ons zelfs al zag voor onze geboorte, in de buik van onze moeder. Ik vind het wonderlijke beelden van nabijheid. We zijn waardevol in Gods ogen. Daardoor heeft ons leven betekenis. Het doet ertoe dat we hier zijn. We zijn schatten in aarden vaten.

Dat we zo klein en kwetsbaar zijn, is soms beangstigd. Maar het zet ons er ook bij stil hoe groot het wonder is dat we hier op aarde leven. En hoe wonderlijk het is dat God ons ziet en kent. Ons leven en onze worstelingen zijn niet onopgemerkt. We zijn hier niet zomaar, maar zijn een onderdeel van Gods grotere plan. God werkt zelfs door onze breuklijnen heen.

Er is oud verhaal over een man die zijn been verloor. Hij trok zich terug in een klooster. Zijn boosheid op het leven weerspiegelde zich in de tekeningen die hij maakte van gebarsten vazen en andere beschadigde dingen. Ze stonden voor zijn eigen gebrokenheid. In de loop van de tijd vond hij innerlijke rust en veranderde zijn visie op het leven. Toch bleef hij kapotte vazen tekenen. Zijn leermeester vroeg op een dag aan hem: ‘Waarom teken je de vazen nog steeds met barsten erin? Voel je je nog niet geheeld?’  De man antwoordde: ‘Jawel, en datzelfde geldt voor de vazen. Maar via de scheur komt het licht binnen.’

Ds. Sijbrand Alblas

Meditatie: Fluistering in de nacht

Maan

En dan is het zover….
De spannende tijd van het ongeneeslijk ziek zijn van degene die je zo lief is, ligt achter je.
Na de kanker is nu ook de dood je huis binnengeslopen. Soms als een dief in de nacht.
Mijn neefje Maarten van tien zag het beeld van de dief voor zich toen zijn oma was overleden. Hij verwoordde dit zo:

De dood

De dood is als een dief in de nacht –
Tussen licht en donker zit een deur
Het licht is de mens
het donker is de dood.
Op die deur zit een slot
het hart wordt zwakker, en het slot roest…
Het slot valt van de deur, en de dood komt binnen.
Het licht wordt donker
en de mens is gestorven.

In de ogen van een kind wordt het definitieve duidelijk zichtbaar:
‘En de mens is gestorven…’

Door de dood is voorgoed een andere tijd aangebroken.
Een tijd van diepe rouw.
Een tijd van immens verdriet.
Een tijd van alomvattend gemis.

Vaak ook een tijd van vragen:
Waar is God in dit alles?
Wat is de bedoeling van dit verlies?
Waar is het voor nodig dat mijn geliefde ons nu al moest verlaten?

Want zo kan het voelen, dat God dit voor ons heeft bedacht.
Waarom overkomt ons dit? Het strijkt totaal tegen ons gevoel in.
Ons verstand kan dan wel zeggen, dat iedereen ergens aan moet overlijden. En dat misschien onze genen wel een rol spelen in het tijdstip.
Maar ons gevoel antwoordt dan onmiddellijk dat het nog veel te vroeg is. Dat het zeker niet nu had moeten gebeuren, terwijl er nog zoveel mooie plannen op stapel stonden….

Hoe vinden we een uitweg tussen ons verstand en ons gevoel? Met bovendien een God op afstand. Een God die geen antwoord lijkt te geven en ons met al onze vragen alleen lijkt te laten.
Aan het begin van de 20e eeuw schreef de gelovige dichter Rainer Maria Rilke over soortgelijke vragen aan een collega onderstaande woorden terug. Het komt erop neer dat ‘geduld’ het sleutelwoord is. Hij schreef:

Heb geduld

Heb geduld met alles wat in het hart nog niet helder is
en probeer de vragen zelf lief te hebben
als gesloten kamers,
als boeken die in een zeer vreemde taal
geschreven zijn.

Zoek niet naar de antwoorden
die je niet gegeven kunnen worden,
omdat je ze niet leven kunt.
En daar gaat het om: alles te leven.
Als je met de vragen leeft
dan leef je misschien geleidelijk aan
ongemerkt ooit op een dag in het antwoord.

Misschien is het – geduldig – op God blijven vertrouwen wel het antwoord op onze vragen van nu. Misschien ook wel het enige antwoord op onze pijn, onze rouw, ons verdriet en ons gemis. In de Psalmen staat geschreven dat God dit allemaal ziet en ‘moeite en verdriet aanschouwt om het in zijn hand te leggen’. Om het te wegen…! (Psalm 10:14) Daar spreekt liefde en nabijheid uit.

De uitnodiging ‘om alles in zijn hand te leggen’ biedt ook ruimte om voor het positieve te blijven kiezen. De dichter Sytze de Vries geeft ons daar een handvat voor. In zijn gedicht ‘Fluistering in de nacht ’stelt hij aarzelend telkens twee posities tegenover elkaar. De fijngevoelige titel is veelzeggend want we beseffen maar al te goed hoe belangrijk het voor ons is, ‘dat ons leed door anderen goed gewogen wordt’ (Job 6:2). Je kunt er soms zo hartstochtelijk naar verlangen dat de diepte van je leed gepeild wordt. Door anderen. Maar vooral ook door dé Ander. Het gedicht klinkt zo:

Fluistering in de nacht

Je kunt huilen omdat iemand die je lief was er niet meer is
of blij zijn omdat diegene heeft geleefd.

Je kunt je ogen sluiten en hopen dat hij of zij terugkomt
of je kunt je ogen openen en zien wat diegene heeft achtergelaten.

Je hart kan leeg zijn omdat deze persoon er niet meer is
of je kunt vervuld zijn van de liefde die je kon delen.

Je kunt je afwenden van de toekomst en in het verleden leven
of je kunt proberen door te gaan vanwege gisteren.

Je kunt iemand alleen herinneren omdat die persoon er niet meer is
of je kunt haar of zijn gedachten koesteren en die laten voortleven.

Je kunt huilen, je leeg voelen of je omdraaien
of je kunt doen wat hij of zij wilde:
Iets van jezelf maken en trots zijn op wie je bent.

Hoewel met aarzeling opgeschreven, komt hier een heilzame perspectiefwisseling tot stand.
Lang niet eenvoudig om daarin mee te bewegen.
Gelukkig worden we niet gedwongen. Wel hebben we een eigen verantwoordelijkheid.
De keuze is aan ons…!

Gettie Kievit

Medicijn tegen angst door ds. Arie vd Veer

Het ging over de coronacrisis.
‘Bent u bang?’, vroeg de televisiepresentator aan zijn gasten.
De een zei dit en de ander zei dat. Maar niemand zei dat hij echt bang was.

Het kan zijn dat het komt omdat ik bij de zeer kwetsbare mensen hoor, maar ik ben soms wel bang. Misschien is angst niet het juiste woord. Misschien is het meer een vorm van bezorgd zijn. Maar dat kan je ook echt wel naar de keel grijpen.

Wat heb ik geleerd:
Angst hebben, bang zijn hoort bij ons leven.

Wiens hart gaat niet sneller kloppen als er een ct scan is gemaakt en je gaat naar de dokter voor de uitslag. Wie slaapt er niet onrustig als die ander nog steeds niet thuis is en niets van zich heeft laten horen!

Angst kan nuttig zijn. Het maakt ons waakzaam. Het is een van de symptomen, die bij ons menselijk bestaan past. Een sneller kloppend hart, sneller stromend bloed en de aanmaak van adrenaline, bereidt het lichaam zich voor op vluchtgedrag. In sommige situaties kan angst heel nuttig zijn.

Angst hoort er bij. Anderen wezen mij er op. Ik voelde me schuldig als ik bang was. Ik had het gevoel, dat ik te weinig vertrouwde op God.

Wel zijn vele vormen van angst. Er is gezonde maar ook ongezonde angst. We kunnen zo onzeker zijn, dat we de hele dag bezig zijn met wat andere mensen over ons denken. We kunnen faalangst hebben en altijd bang om fouten te maken. We kunnen bang zijn om niet door God geaccepteerd te worden. Zo kunnen we ook voortdurend bang zijn voor het kwaad, voor ongelukken of voor die gevreesde ziekte.

Deze weken zijn er heel wat mensen banger dan anders. En dat is ook niet zo verwonderlijk. Dag in dag uit worden we belaagd door negatieve krantenkoppen, alarmerend nieuws via radio en tv. Het corona virus is als een onzichtbare vijand. ‘We zijn in oorlog’, zei de Franse president. De hele wereld wordt getroffen. Hoe lang gaat dit duren? Hoe komen we er weer uit?

De Bijbel is duidelijk over angst. Telkens zien we in de Bijbel dat God weer tegen volk zegt: ‘Vrees niet.’ Het is een appèl dat we in verschillende bewoordingen door de hele Bijbel heen terug kunnen vinden, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Bijna 400 keer. Daaruit kun je de conclusie trekken dat God het heel belangrijk vindt dat zijn kinderen zich niet laten leiden door vrees.

Om de angst tegen te gaan, zijn bij God drie krachtige medicijnen beschikbaar.

Het eerste medicijn is: geloof

In Marcus 5:36 lezen we: ‘Vreest niet, geloof alleen’.
Tegenover de vrees staat hier het geloof. Je kunt dus kiezen om of het één of het ander te doen! Angstige gedachten ban je niet zomaar uit. Maar je kunt wel deze Bijbelse gedachte daar boven stellen. Gedachten van vrees vervangen door gedachten van geloof

Het tweede medicijn is hoop

In Hebreeën 6:9 lezen we:
’Dankzij Jezus is ons vertrouwen heel groot. Het lijkt op een anker, waarmee een schip veilig vastligt.’

1 Petrus 1:3
Het is ‘door de opstanding van Jezus Christus uit de dood, waardoor wij leven in hoop’.

Stormen gaan niet zomaar liggen. Maar zeg het in gedachten steeds voor jezelf op: Ik heb een anker.

Het derde medicijn is liefde.
1 Johannes 4:16: ‘God is liefde. Iedereen die in liefde leeft, hoort voor altijd bij God’.

Twijfel daar niet aan. Dit zegt het Woord van God.

Drie medicijnen.
Die steeds beschikbaar zijn. In tijden van angst.

Vraag er om bij God.

 

Ds. Arie van der Veer

Mee-lijden

Het is inmiddels ruim 10 jaar geleden.

Bij mij was prostaatkanker geconstateerd. Ik moest een kleine 40 keer worden bestraald. En ben toen ook begonnen met het gebruiken van hormonen. Ruim drie jaar kreeg ik die spuiten.

Ik zal je niet vermoeien met wat er in die tien jaar is gebeurd. Neem van mij aan dat het heel veel was.

Deze zomer bleek de kanker weer actief te zijn.
Voor de derde keer. En opnieuw zijn we aan de behandelingen begonnen.

Mensen leven volop mee.
Zijn nieuwsgierig naar de prognose.
Die weten we niet. Om de drie maanden is er een uitgebreide controle.

De tijd tussen de spuiten is niet eenvoudig.
Veel heb ik aan het meeleven van mensen. Voor mij geeft er over praten lucht. Gewoon vertellen hoe het is, doet mij goed.

Er over willen praten, zal niet ieder willen.
Je zult er raar van opkijken, maar ik vind het er met God over praten nog het moeilijkst. Waarom? Omdat God mij al zoveel keren geholpen heeft. Langer dan de 15 jaar die koning Hizkia van God in zijn ziekte kreeg.

Ik bid nu gemakkelijker voor anderen dan voor mezelf. Wordt God niet moe van mij? Is nu niet een ander eerder aan de beurt om geholpen te worden?

Deze tekst uit de Bijbel helpt me gelukkig.
Je vindt het in het boek Hebreeën. Daar staat in hoofdstuk 4:15:
‘Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden’.

God weet van mijn bestaan. Jezus, zegt de Bijbel daar, leeft mee. Hij heeft niet alleen vóór de mensen geleden, maar ook mét de mensen.

Als ik aan dit aspect van het lijden van Christus denk, kan mij dat diep troosten. Christus komt dan heel dicht bij ons staan: Hij strijdt mee. Hij lijdt mee. Er staat niet voor zolang. Er staat: zo is Hij. Hij lijdt mee: voor altijd.

Medelijden van mensen is best fijn.
Mee-lijden van Jezus strekt nog veel verder.
ALTIJD.

Meditatie: Troosten

Mensen kunnen elkaar heel wat aandoen. Onrecht, ruzie, belediging, kleineren, negeren, oorlog en vul maar aan. Gelukkig kunnen mensen ook heel veel voor elkaar betekenen. Helpen, onderwijzen, luisteren en delen zijn zomaar wat voorbeelden.

Vandaag gaat het over troosten. Troost heb je nodig als je leven in het slot is gevallen. Er is iets verdrietigs gebeurd waar je moeilijk mee kunt omgaan. Soms lijkt het alsof de weg vóór je opgebroken is. Wat is het dan fijn als iemand je komt troosten! Vaak bestaat troost uit iemands aanwezigheid (‘er zijn’), elkaar vasthouden en het samen uit  houden van het verdriet. En we zeggen het weleens tegen elkaar: ‘Ik ben sprakeloos, hier zijn geen woorden voor.’

In de Bijbel staat een brief van Paulus, waarin hij schrijft:

Ik wil dat jullie weten wat er gebeurt met de mensen die sterven. Dan hoeven jullie niet verdrietig over hen te zijn, zoals de andere mensen. Die hebben geen hoop. Maar wíj geloven dat Jezus is gestorven en weer uit de dood is opgestaan. Daarom weten we dat God ook de mensen die in Jezus geloofden toen ze stierven, weer met Jezus zal samenbrengen. Troost elkaar hier dus mee. (1 Thessalonicenzen 4: 13,14 en 18)

Paulus moedigt ons aan om elkaar niet alleen met daden, maar juist ook met woorden te troosten en te bemoedigen. Woorden van hoop en verwachting. Woorden van geloof in de opgestane Heiland. Woorden waarin we elkaar aansporen om te blijven geloven dat er wél een weg is om verder te gaan, hoe onwaarschijnlijk het ook lijkt. Het is de weg van de Here Jezus, die eens zal terugkomen. En allen die hun vertrouwen hebben gesteld op Zijn woorden, mogen dan altijd bij Hem zijn. We zullen onafgebroken in harmonie met Hem, met elkaar en met onszelf mogen leven. Wat een troost! Laten we elkaar het geschenk van die troost steeds weer geven.

Geschreven door Atie Peet-Vreman
Uit het boek ‘Pauze. Dagboek voor de tussentijd’

(Lit)teken van hoop!

In de Bijbel staat een bijzonder verhaal over de apostel Thomas. Hij wilde maar niet geloven dat Jezus werkelijk was opgestaan. Maar als hij plotseling oog in oog staat met het opstandingslichaam van Jezus, mag hij zijn handen in de wonden leggen. Vaak wordt hij hierom de ongelovige Thomas genoemd.

Zijn naamgenoot, Thomas Halik, geeft hem in zijn nieuwste boek een hele andere waardering. Hij ontdekt juist in dit verhaal dat Jezus de deur van de gewonden is.

Het is opmerkelijk dat op het opstandingslichaam van Jezus de wonden nog aanwezig zijn. Je zou op zo’n vernieuwd lichaam geen tekens meer verwachten die verwijzen naar de dood. Toch mogen de littekens zichtbaar blijven.

Jezus’ heeft zich met Zijn liefde voor ons ook verbonden met de wonden van dit bestaan. Zoals ook onze verwondingen zichtbaar mogen zijn. We hoeven ze niet te bedekken. En we hebben ze allemaal. Ze verbinden ons ook met elkaar. Want wie zichzelf en anderen werkelijk liefheeft, krijgt vroeg of laat te maken met verwondingen. Ze horen bij onze liefde voor elkaar en voor de wereld om ons heen.

Het mooie is dat het verhaal van Thomas ons de ogen ervoor opent dat God Zijn gewonde hand naar ons uitsteekt. Hij biedt ons Zijn hand aan om zo Zijn littekens met die van ons te verbinden. Sommige littekens zijn letterlijk als zichtbare krassen op ons lichaam aanwezig. Andere dragen we mee in ons hart. Maar al onze zichtbare en onzichtbare littekens verbinden ons met Christus.

Na de opstanding vertellen de littekens van Jezus ook een nieuw verhaal. Het gaat niet alleen meer over de kruisiging, maar vooral over de opstanding. Want Hij die dood was, is opgewekt. En daarin ligt ook mijn hoop. Onze littekens zijn in Christus’ handen geborgen. Onze verhalen zijn bij Hem bekend. …dus ook onze pijn. Hij heeft zich met ons hele leven verbonden. En zoals we met Hem verbonden zijn in onze pijn, zo zijn we ook met Hem verbonden in de opstanding. Hij is ons voorgegaan. En zo maken onze persoonlijke verhalen deel uit van Gods grote verhaal met ons allemaal!

Sijbrand Alblas

‘Blijven zingen bij vallen en opstaan’

Blijven zingen
Bij vallen en opstaan

‘Hij zal je voet niet laten wankelen’ Psalm 121: 3

Wat houd ik veel van deze psalm.

En toch heb ik van tijd tot tijd er moeite mee om hem uit volle borst te zingen.
Ik zing hem, maar moet hem telkens weer leren zingen.

Wanneer ben ik ‘van de wijs’?
Wanneer niet gebeurde wat er wel staat. Er staat toch dat ons niets kan overkomen. ‘Er overkomt je geen kwaad niet overdag en niet in de nacht.’
En hoe vaak ben ik onderweg al niet gevallen?

Hoe kun je in zulke situaties psalm 121 blijven zingen?
Door goed te lezen wat er staat.
Je hoeft de psalm niet alleen te zingen.

Laten we beginnen bij het begin.
Want daar vind je waar deze dichter zijn geloof op grondt.
Het beroemde begin ken je vast uit je hoofd: ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de HERE die hemel en aarde gemaakt heeft.’

Geloof jij ook dat God de hemel en de aarde heeft gemaakt? Dat Hij de Schepper is? Weet je ook wat er met Zijn schepping is gebeurd? Door de zondeval heeft het kwaad en daarmee ook de gebrokenheid in dit leven zijn intrede gedaan. Het paradijs was voorbij. Naast al het mooie zou het leven ‘dorens en distels’ kennen. Nooit meer een leven zonder gevaren.

God had de mens gevraagd de schepping te bewaren. De mens zou nu zelf altijd een bewaarder nodig hebben. Maar God beloofde er voor de mens te zullen zijn. In die gebroken situatie sloot Hij een verbond met de mens. Hij beloofde de Bewaarder te zijn. In een leven vol bedreigingen en kwaad.

Heel duidelijk werden de nieuwe relatie zichtbaar toen eeuwen later Jezus werd gekruisigd. Het kruis liet zien in wat voor gebroken wereld wij leven, en wat wij mensen elkaar kunnen aandoen maar ook wie God voor deze mensheid wil zijn.

God is de schepper.
En in zijn gebroken schepping: de HERE.
‘Ik zal er zijn’, betekent Zijn Naam.

In tijden als het niet gaat zoals ik had gehoopt, helpt mij dat. Door me dat voor ogen te stellen. Niets en dan ook niets kan ons scheden van de liefde van Christus. Je voelt je op zo’n moment als de pelgrim die niet altijd in Jeruzalem kan blijven. Hij moet weer terug. Over de bergen vol gevaren. Maar in zijn hart draagt hij mee wat je in de tempel gezien en gehoord hebt.

Weet je wat me dus ook helpt?
De psalm begint in de ‘ik-vorm”. Maar laten lijkt het wel of de dichter wordt toegezongen. ‘‘Hij zal je voet niet laten wankelen’. Als er dan toch momenten zijn van twijfel en strijd, als je zelf ‘van de wijs’ bent, zingen anderen het me toe.

‘Hij zal je voet niet laten wankelen’
Vandaag zing ik het voor jou.
Maar zing het morgen voor mij.
Dan kan ik als ik val, weer zingend opstaan.

Psalm 121

Ds. Arie van der Veer

Huilen en schuilen

Wanneer je op een dag te horen krijgt dat je kanker hebt, dan stort je wereld in. Dat is mij een aantal jaren geleden overkomen. Na die mededeling ben je lamgeslagen en weet je niet waar je het zoeken moet. Waar kun je dan huilen en schuilen? Is er troost te vinden bij mensen? Ze komen met goed bedoelde woorden, maar je hebt van die dagen dat die woorden niet aankomen. Waar moet je naar toe wanneer je leven op de kop staat?

Jezus zegt in de Bergrede: “Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden”.
Jezus draait er niet omheen. Er gebeuren vele nare dingen in ons leven waar we verdriet om hebben. Misschien herkennen wij ons leven in de houding van Jacob. Hij was ontroostbaar toen hij de mantel vol bloed zag van zijn dood gewaande zoon Jozef. Rachel huilde vanwege haar vermoorde kinderen en Job om het bittere leed dat hij te dragen kreeg. Herkent u uw leven in het bestaan van deze mensen?

Toch is er een adres waar wij naar toe mogen gaan om te huilen en te schuilen.

Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven. Neem Mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht. (Mattheus 11:28-30)

Jezus roept ons toe: “Kom naar Mij die gebukt gaan onder zorg en verdriet, Ik zal u rust geven”. Letterlijk staat er: hier heen! Bij Mij moet je zijn! Leg de last van de kanker maar voor Mijn voeten neer, zegt Jezus. Wordt dan de kanker weggenomen zo vragen wij ons af. Nee, was het maar zo, maar we mogen wel weten dat Jezus meedraagt.

Jezus gebruikt een voorbeeld uit het dagelijks leven. In landen zoals Israël zie je een span ossen die samen een ploeg moeten trekken. De ossen zijn aan elkaar gebonden door een dwarsbalk die over de rug van de dieren is gelegd. Gebogen onder dat juk kunnen de twee ossen de zware ploeg door de aarde heen trekken. Samen kunnen ze de zware arbeid aan. Dit beeld gebruikt Jezus om ons duidelijk te maken dat wij niet alleen moeten tobben, maar naar Hem moeten gaan.
Leg uw last voor Zijn voeten neer, Hij draagt mee en bij Hem kunt u huilen en schuilen.

Ds. Tiemen Meijer, Puttershoek

 

Als je moe bent

Iedereen is wel eens moe.
Een belangrijke vraag is: waarvan?

Ben je moe, omdat je hard hebt gewerkt?
Of ben je moe omdat je de spanningen die er in je leven zijn niet meer aan kan?

Moe kun je zijn op vele manieren. Je kunt gezond moe zijn. Je lichaam heeft rust nodig. Na een nachtje slapen is het weer helemaal over. Je kunt ook geestelijk moe zijn. Innerlijk ben je op. Je kunt het leven niet meer aan. Je hebt geen energie meer.

Soms is het een combinatie van beide. Je lichaam wil niet meer maar ook de bezieling is uit je leven.

Soms kun je moe zijn en je weet niet waardoor het komt. Je begrijpt niet waarom het uit bed komen al moeheid veroorzaakt. Het overkomt mensen die later blijken ziek te zijn, maar ook veel mensen die ziek zijn geweest. Je bent hersteld, maar je blijft ontzettend moe.

Mensen die vaak moe zijn komen ook vaak alleen te staan. Energiegebrek kost je kennissen en vrienden. Je gezin moet zich aanpassen. Je vrije tijd wordt anders besteed dan vroeger. Ook in de kerk ben je er niet altijd meer.

Moe zijn heeft vele kanten. En vele gevolgen.

Als jij moe bent, is het goed je af te vragen: waardoor ben ik nu moe? Waarom voel ik me zo?

Jezus heeft ooit de beroemde woorden gesproken: ‘Komt naar Mij, jullie die vermoeid zijn’. Dat is een geweldig woord. Ieder die moe is, mag bij die uitnodiging zijn oren spitsen. Want Jezus heeft er verstand van. Hij weet wat moe zijn is. En niet alleen lichamelijk moe zijn. Hij is ook geestelijk vermoeid geweest. Op het laatst kon Hij niet meer.

Weet je wat ik fijn vind? Moe zijn is normaal niet iets waarvoor je kiest. Het overkomt je om allerlei redenen. Maar van Hem is het een bewuste keuze geweest. Hij, die alle geluk van de hemel bezat wilde vermoeidheid, uitputting, tranen en verdriet ervaren. Hij wilde worden zoals wij. Ons leven delen. Ook ons moe zijn. Moe van zoveel dingen.

Jezus zegt: ‘Kom naar Mij’.

Als er Eén is die mij begrijpt, dan is het Hij. Als er Eén mij kan helpen dan is Hij het. Hij kan mij genezen. Maar word ik niet beter: Hij kan me energie geven terwijl ik geen conditie meer hebt. Geestelijke kracht als ik lichamelijk zwak ben.

En dan nog iets:
Wat ik ook bedenk is dat Hij moe is geweest door mij. Niet in de eerste plaats van en door een ander, maar door mij. Toch zegt Hij tegen mij: ‘Kom naar Mij’. Is dat niet geweldig!

Het moeten leven met weinig energie wordt zo nog rijker dan 16 actieve werkuren per dag zonder Hem.

Ds. Arie van der Veer

Strijder met God!

Regelmatig hoor ik mensen praten over ‘het gevecht tegen kanker’. Ik heb wat moeite met die uitdrukking. Want bij een gevecht hoort een winnaar en een verliezer. Kanker overkomt je en je hebt maar weinig invloed op hoe die ziekte zich in je lijf ontwikkelt. Je kunt alleen zoeken naar een manier om ermee om te gaan.

Ik heb meer met het beeld van een gevecht of worsteling met God. Dit kan slapeloze nachten opleveren. Zo spreek ik mensen die zich tijdens hun ziekte afvragen of er een hemel bestaat en hoe die er dan uitziet. En mensen die zich afvragen of alles met een reden gebeurt. En zo ja, met welke reden dan? Zelf heb ik die laatste vraag tijdens mijn ziekte ook gehad. Soms sprak ik erover met anderen, één keer met een medechristen op het ziekenhuisbed naast me. We vroegen ons af of we het zonder ons geloof makkelijker zouden hebben. Ons conclusie was dat we dan niet hoefden te worstelen met de vraag waarom God zoveel kwaad toelaat. Maar we zouden niet willen leven zonder een plek bij God waar we met ons verdriet en onze vragen terecht kunnen.

Nu ik terugkijk verwonder ik me erover dat mijn vertrouwen op God juist in die moeilijke periode gegroeid is. Ik vertrouw erop dat God goed is en dat Hij ook naar mij omziet. Dat ook mijn leven in Zijn hand geborgen is. Tegelijkertijd blijf ik leven met veel onbeantwoorde vragen.

Het doet me denken aan een verhaal over Jacob. In gevecht met een onbekende aanvaller overwint hij zijn angst voor de toekomst. Nu is hij er klaar voor om zijn broer, die hij bedrogen heeft, tegemoet te treden. De onbekende geeft hem een nieuwe naam, want hij heeft met God zelf gevochten.

Van nu af aan heet hij Israël. Dat betekent: Strijder met God!

Zo geloof ik dat wij ook strijders met God mogen zijn. Ik geloof dat God erbij is in onze worstelingen met onszelf, met onze ziekte en met ons geloof. Hij biedt een plek waar we onze vragen mogen neerleggen. En ik geloof dat God met ons meestrijdt. Hij staat aan onze kant, en heeft de uiteindelijke overwinning al behaald!

Sijbrand Alblas