Huilen en schuilen

Wanneer je op een dag te horen krijgt dat je kanker hebt, dan stort je wereld in. Dat is mij een aantal jaren geleden overkomen. Na die mededeling ben je lamgeslagen en weet je niet waar je het zoeken moet. Waar kun je dan huilen en schuilen? Is er troost te vinden bij mensen? Ze komen met goed bedoelde woorden, maar je hebt van die dagen dat die woorden niet aankomen. Waar moet je naar toe wanneer je leven op de kop staat?

Jezus zegt in de Bergrede: “Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden”.
Jezus draait er niet omheen. Er gebeuren vele nare dingen in ons leven waar we verdriet om hebben. Misschien herkennen wij ons leven in de houding van Jacob. Hij was ontroostbaar toen hij de mantel vol bloed zag van zijn dood gewaande zoon Jozef. Rachel huilde vanwege haar vermoorde kinderen en Job om het bittere leed dat hij te dragen kreeg. Herkent u uw leven in het bestaan van deze mensen?

Toch is er een adres waar wij naar toe mogen gaan om te huilen en te schuilen.

Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven. Neem Mijn juk op je en leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht. (Mattheus 11:28-30)

Jezus roept ons toe: “Kom naar Mij die gebukt gaan onder zorg en verdriet, Ik zal u rust geven”. Letterlijk staat er: hier heen! Bij Mij moet je zijn! Leg de last van de kanker maar voor Mijn voeten neer, zegt Jezus. Wordt dan de kanker weggenomen zo vragen wij ons af. Nee, was het maar zo, maar we mogen wel weten dat Jezus meedraagt.

Jezus gebruikt een voorbeeld uit het dagelijks leven. In landen zoals Israël zie je een span ossen die samen een ploeg moeten trekken. De ossen zijn aan elkaar gebonden door een dwarsbalk die over de rug van de dieren is gelegd. Gebogen onder dat juk kunnen de twee ossen de zware ploeg door de aarde heen trekken. Samen kunnen ze de zware arbeid aan. Dit beeld gebruikt Jezus om ons duidelijk te maken dat wij niet alleen moeten tobben, maar naar Hem moeten gaan.
Leg uw last voor Zijn voeten neer, Hij draagt mee en bij Hem kunt u huilen en schuilen.

Ds. Tiemen Meijer, Puttershoek

 

Als je moe bent

Iedereen is wel eens moe.
Een belangrijke vraag is: waarvan?

Ben je moe, omdat je hard hebt gewerkt?
Of ben je moe omdat je de spanningen die er in je leven zijn niet meer aan kan?

Moe kun je zijn op vele manieren. Je kunt gezond moe zijn. Je lichaam heeft rust nodig. Na een nachtje slapen is het weer helemaal over. Je kunt ook geestelijk moe zijn. Innerlijk ben je op. Je kunt het leven niet meer aan. Je hebt geen energie meer.

Soms is het een combinatie van beide. Je lichaam wil niet meer maar ook de bezieling is uit je leven.

Soms kun je moe zijn en je weet niet waardoor het komt. Je begrijpt niet waarom het uit bed komen al moeheid veroorzaakt. Het overkomt mensen die later blijken ziek te zijn, maar ook veel mensen die ziek zijn geweest. Je bent hersteld, maar je blijft ontzettend moe.

Mensen die vaak moe zijn komen ook vaak alleen te staan. Energiegebrek kost je kennissen en vrienden. Je gezin moet zich aanpassen. Je vrije tijd wordt anders besteed dan vroeger. Ook in de kerk ben je er niet altijd meer.

Moe zijn heeft vele kanten. En vele gevolgen.

Als jij moe bent, is het goed je af te vragen: waardoor ben ik nu moe? Waarom voel ik me zo?

Jezus heeft ooit de beroemde woorden gesproken: ‘Komt naar Mij, jullie die vermoeid zijn’. Dat is een geweldig woord. Ieder die moe is, mag bij die uitnodiging zijn oren spitsen. Want Jezus heeft er verstand van. Hij weet wat moe zijn is. En niet alleen lichamelijk moe zijn. Hij is ook geestelijk vermoeid geweest. Op het laatst kon Hij niet meer.

Weet je wat ik fijn vind? Moe zijn is normaal niet iets waarvoor je kiest. Het overkomt je om allerlei redenen. Maar van Hem is het een bewuste keuze geweest. Hij, die alle geluk van de hemel bezat wilde vermoeidheid, uitputting, tranen en verdriet ervaren. Hij wilde worden zoals wij. Ons leven delen. Ook ons moe zijn. Moe van zoveel dingen.

Jezus zegt: ‘Kom naar Mij’.

Als er Eén is die mij begrijpt, dan is het Hij. Als er Eén mij kan helpen dan is Hij het. Hij kan mij genezen. Maar word ik niet beter: Hij kan me energie geven terwijl ik geen conditie meer hebt. Geestelijke kracht als ik lichamelijk zwak ben.

En dan nog iets:
Wat ik ook bedenk is dat Hij moe is geweest door mij. Niet in de eerste plaats van en door een ander, maar door mij. Toch zegt Hij tegen mij: ‘Kom naar Mij’. Is dat niet geweldig!

Het moeten leven met weinig energie wordt zo nog rijker dan 16 actieve werkuren per dag zonder Hem.

Ds. Arie van der Veer

Strijder met God!

Regelmatig hoor ik mensen praten over ‘het gevecht tegen kanker’. Ik heb wat moeite met die uitdrukking. Want bij een gevecht hoort een winnaar en een verliezer. Kanker overkomt je en je hebt maar weinig invloed op hoe die ziekte zich in je lijf ontwikkelt. Je kunt alleen zoeken naar een manier om ermee om te gaan.

Ik heb meer met het beeld van een gevecht of worsteling met God. Dit kan slapeloze nachten opleveren. Zo spreek ik mensen die zich tijdens hun ziekte afvragen of er een hemel bestaat en hoe die er dan uitziet. En mensen die zich afvragen of alles met een reden gebeurt. En zo ja, met welke reden dan? Zelf heb ik die laatste vraag tijdens mijn ziekte ook gehad. Soms sprak ik erover met anderen, één keer met een medechristen op het ziekenhuisbed naast me. We vroegen ons af of we het zonder ons geloof makkelijker zouden hebben. Ons conclusie was dat we dan niet hoefden te worstelen met de vraag waarom God zoveel kwaad toelaat. Maar we zouden niet willen leven zonder een plek bij God waar we met ons verdriet en onze vragen terecht kunnen.

Nu ik terugkijk verwonder ik me erover dat mijn vertrouwen op God juist in die moeilijke periode gegroeid is. Ik vertrouw erop dat God goed is en dat Hij ook naar mij omziet. Dat ook mijn leven in Zijn hand geborgen is. Tegelijkertijd blijf ik leven met veel onbeantwoorde vragen.

Het doet me denken aan een verhaal over Jacob. In gevecht met een onbekende aanvaller overwint hij zijn angst voor de toekomst. Nu is hij er klaar voor om zijn broer, die hij bedrogen heeft, tegemoet te treden. De onbekende geeft hem een nieuwe naam, want hij heeft met God zelf gevochten.

Van nu af aan heet hij Israël. Dat betekent: Strijder met God!

Zo geloof ik dat wij ook strijders met God mogen zijn. Ik geloof dat God erbij is in onze worstelingen met onszelf, met onze ziekte en met ons geloof. Hij biedt een plek waar we onze vragen mogen neerleggen. En ik geloof dat God met ons meestrijdt. Hij staat aan onze kant, en heeft de uiteindelijke overwinning al behaald!

Sijbrand Alblas

 

Vertrouwd met ziekte

De stichting Als kanker je raakt brengt mensen bij elkaar die op een of andere manier met kanker te maken hebben (gehad).

Het is fijn om elkaar te ontmoeten. Om met een ander te kunnen spreken die hetzelfde heeft meegemaakt. Wat een vragen kunnen bij je leven als de diagnose ‘kanker’ is vastgesteld. Je bent bang. Je wordt bestormd met vragen. Hoe zal het gaan?

Over een aantal dagen heb je weer een gesprek met de arts. Maar bij wie kun je vandaag terecht?

In de Bijbel staat dat Jezus vertrouwd was met ziekte. ʻHij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was.’ Jezus kent onze ziekte en onze zwakheid van binnenuit.

In de brief aan de Hebreeën staat dat heel mooi beschreven:

‘Juist omdat Hijzelf op de proef werd gesteld en het lijden volbracht heeft, kan Hij ieder die beproefd wordt bijstaan’ (2:15).

‘Want de Hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde’, (4:15).

Als er iemand tegen ons kan zeggen: ‘Dat heb ik ook meegemaakt, dan is Hij het wel.’

Wat mij bij het opnieuw lezen van deze bekende teksten trof was, dat de pijn die Jezus lijdt niet tot het verleden behoort. Ja, Hij heeft geleden. Ja, Hij heeft de dood overwonnen. Maar ook in de hemel is Hij het hoofd van Zijn lichaam. En de Bijbel zegt dat als één lid lijdt, dan lijden alle leden mee. Dus ook het hoofd.

Jij lijdt. Hij lijdt ook. Jij voelt angst. Het ontgaat Hem niet.

Omdat Jezus één is met ons, voelt Hij ook nu onze pijn en onze verdriet. Hij is echt onze hemelse Advocaat en pleit dagelijks voor Gods troon voor ons.

Die twee teksten vertellen van twee zegeningen waarop je mag rekeningen. Het zijn er vast en zeker meer. Maar in die twee teksten is sprake van hulp en meevoelen.

De hemel ziet dus niet werkeloos toe. Onze pijn is Zijn pijn. Hij heeft het niet eeuwen geleden gevoeld. Hij voelt het dagelijks. ‘Hun bloed, hun tranen en hun lijden zijn kostbaar in Zijn oog’

Ds. Arie van der Veer

Dag aan dag draagt Hij ons

Zojuist Oudjaar achter ons.
Sommigen hebben Psalm 90 gelezen.
Over de geslachten, de generaties, die gaan en zullen komen.
En over hoe God zich ontfermt over mensen.
Hen doet leven. Ook hun kinderen.
En hen bevestigt in wat hun hand heeft opgevat.
Kostbare woorden… vol van belofte.

En toen kwam Nieuwjaar
Als een onbeschreven blad ligt het jaar voor ons.
Ook in 2018 zullen generaties gaan en komen…
En wijzelf? Hoe ziet onze situatie er uit?
Hebben wij zelf te maken met kanker?
Of misschien een van onze liefsten?
De toekomst is onzeker.
Voor ieder mens.
Maar mensen die ziek zijn, voelen het scherper.
Dat geldt ook voor andere benarden.

In 1945 schreef Bonhoeffer in de gevangenis over het diepe zwijgen,
over de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet.
Hij zou de oorlog niet overleven.
Ook mensen met kanker kennen deze gevoelens,
Diep van binnen weten ze welke kansen ze hebben.
De glimlach van het nieuwe jaar is dubbel voor hen.
Wat zal er gaan gebeuren?
Genezing in 2018 of..?

Die dubbelheid kenmerkt ook Bonhoeffer als hij dicht:
-Laat warm en stil de kaarsen branden heden,
die Gij hier in ons duister hebt gebracht,
breng als het kan ons samen, geef ons vrede.
Wij weten het, Uw licht schijnt in de nacht.-
Hij is er zeker van dat God er bij is in onze duisternis.
En dan bidt hij:
-Laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied.-
Hij ziet als visioen een God die lof krijgt toegezongen.
Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome,
bidt hij hier als het ware.

Benard als hij is, geeft dit hem troost.
Hij stijgt boven zijn eigen situatie uit.
Hij is niet alleen. Dag aan dag wordt hij gedragen.
Ook in het nieuwe en onbekende jaar.
Hij kan het niet voor zich houden
en laat ons de bekende strofe meezingen:
-In goede machten liefderijk geborgen
Verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.-

Gettie Kievit

Nieuwjaar 2018

Ik aarzel nog, de voet al bij de drempel

wat is het dat mij nu nog tegenhoudt?

Is het de weemoed over wat voorbijging,

of is het de angst voor wat nog komen gaat?

 

Waar is nu toch dat grenzeloos vertrouwen

waarvan de Psalmen telkens weer getuigen?

Is er geen beetje hoop, geen sprankje licht

dat mij kan helpen om op weg te gaan?

 

Dan stap ik eindelijk de drempel over

want ach, je kunt toch ook niet blijven staan.

Maar aan mijn rechterhand gaat trouw mijn Schaduw.

Hij was ‘t die mij het laatste duwtje gaf.

 

Ja, zo met U wil ik het wagen Heer.

Ik weet dat er van alles kan gebeuren,

maar niets dat mij van U weer scheiden kan.

In liefde houdt Uw hand mij ook in 2018 vast omsloten!

Til mij op

Heb je het weleens gezien: zo’n klein vogeltje? Uit het nest gevallen. Nog lang niet klaar om te kunnen vliegen. Tript angstig over de grond. De takken van de boom zijn voor hem te hoog. En het beschermende dak van de schuur is onbereikbaar. Wat doe je? Je pakt zo’n beestje op. Zet het in het nest. En als je het nest niet weet: ergens hoog op een veilige plek.

Soms komt een mens ook in zo’n situatie terecht. Er zijn allerlei oorzaken te bedenken. Tegenslag, ziekte, noem maar op. Met als gevolg een situatie waar je zelf niet uitkomt. Je zoekt naar een oplossing. Kijkt overal rond, maar weet er geen.

Koning David schreef ooit in een gedicht over zo’n gebeuren. Hij voelde zich als een man die stond voor een hoge rotswand. We zouden zeggen: een muur. Waar je alleen maar tegenaan kunt lopen, maar die je niet kunt afbreken. Maar goed: hij had het over een niet te beklimmen rots.

Toen bad hij dit: ‘Breng mij op de rots hoog boven mij’. Dit gebed deed mij denken aan dat vogeltje. Gelukkig zijn er mensen die zo’n beestje oppakken en terugplaatsen.

De vraag is: is God ook zo?

Volgens David wel. In een andere Psalm (27:5) las ik het antwoord. ‘Hij tilt mij hoog op een rots’. Ook psalm 27 gaat over zo’n moeilijke situatie. Let op wat David nu schrijft. God tilde hem op. God plaatste hem op de rots. Bracht hem in een situatie waarin hij veilig was. Onbereikbaar voor de vijanden. Uit zulke teksten mag je moed putten. Waarom zouden gelovigen er anders al eeuwen van zingen?

God doet het. Hij tilt je op. Je mag staan op Zijn rots. God geeft je fundament, vaste grond onder de voeten. Wie vernederd is, verhoogt Hij. Wie bang is, geeft Hij blijdschap. Wie onrustig is, geeft Hij rust. God tilt ons op een rots, die van uit onszelf te hoog is.

Ds. Arie van der Veer

Ik ben erbij!

‘Kan het u niet schelen dat wij vergaan?’ riepen de leerlingen van Jezus in de storm. Het verhaal staat in Markus 4. De wind stuwde de golven hoog op en de boot dreigde te kapseizen. En wat doet Jezus? Die slaapt gewoon! Ik begrijp wel dat de leerlingen zo reageerden.

Toen ik chemo’s kreeg, lag ik samen met anderen op een ziekenhuiskamer. We hadden allemaal kanker. In mijn gedachten gonsde het ook weleens: ‘Zou het God ook kunnen schelen dat wij hier liggen?’ Ik worstelde er mee. In het Bijbelverhaal is het allemaal duidelijk. Jezus bestraft de storm en deze gaat liggen. Prachtig! Maar in de krant lees ik over boten met vluchtelingen die wel vergaan. En ik spreek mensen die lijden vanwege kanker. Als dominee heb ik vaak geen antwoorden op de moeilijke vragen waar mensen mee leven. En toch helpt dit Bijbelverhaal mij verder. Wat mij aanspreekt, is dat Jezus erbij is op de boot. Je hoort Hem niet, maar Hij is er wel. En Hij vertrouwt op Zijn Vader.

Ook de Godsnaam, JHWH, wordt vaak vertaald als: Ik ben erbij. We weten niet hoe deze naam uitgesproken moet worden. Volgens een Joodse traditie is de naam het geluid van ons in- en uitademen. We zeggen Jah als we inademen en Weh bij het uitademen. Luister maar eens naar je eigen ademhaling, dan kun je het horen. Volgens deze traditie is de geboorte van een kind niet het begin van de ademhaling, maar het voor de eerste keer uitspreken van de Godsnaam. En het sterven van een mens is niet het stoppen van de ademhaling, maar het voor de laatste keer uitspreken van Zijn naam. Ik vind het een hoopvolle gedachte. Als ik stil ben en luister naar mijn ademhaling dan herinnert het mij aan die naam. En wanneer ik geen antwoorden heb op de grote waarom-vragen en niets meer weet te zeggen, dan hoor ik het fluisterend: ‘Ik ben erbij!’

Sijbrand Alblas

Overwinnaars

Ondanks een leven van vallen en opstaan

Wat mij de weken na Pasen bezighield, was de gedachte dat de Bijbel gelovigen overwinnaars noemt. En dat is opvallend. Christus verdient het predicaat ‘overwinnaar’. Maar gelovigen? Wat is de alledaagse werkelijkheid?

Allereerst is het moeilijk een verschil te zien tussen gelovigen en niet gelovigen. Ik kan me haast niet aan de indruk onttrekken dat niet gelovigen het in onze maatschappij beter doen dan gelovigen. De echte ‘winners’ zijn vaak niet gelovig. In het zakenleven, in de politiek, in de sport. En als het om niet materiële zaken gaat: iedereen heeft wel eens verdriet. Iedereen komt vroeg of laat in het ziekenhuis. En om het grof te zeggen: iedereen gaat dood. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.

Het is figuurlijk gesproken net zoals met de Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog: we leven allemaal in bezet gebied. We hebben allemaal dagelijks met de vijand te maken. We zijn met elkaar geen ‘winners’, maar ‘losers’. Gelukkig voelt dat niet altijd zo. Je kunt het zelfs tijdens de bezetting redelijk goed hebben. Maar echte winnaars zijn we niet. Daarvoor hebben we teveel problemen.

Je krijgt voor de tweede keer een kwaadaardige tumor. Deze keer is er niets meer aan te doen. Je moet gaan sterven. Wat kun je je bij zulke berichten een verliezer voelen. Arts en patiënt. ’We kunnen niets meer doen’. En dat is maar één voorbeeld. Gelovige mensen krijgen ook kanker. Gelovige mensen zitten ook in de put. Gelovige mensen hebben het vaak ook moeilijk. Waarom worden zij dan overwinnaars genoemd?

Misschien kan dat beeld van de oorlogstijd ons helpen. Heel Nederland was toen bezet. Iedereen had daar mee te maken. Alleen niet iedereen was er op dezelfde manier mee bezig. Zo kwamen sommigen in verzet, anderen niet. Verreweg het overgrote deel had zijn hoop gevestigd op de geallieerden. Maar er waren er ook die sympathiseerden met de Duitsers. Dat bleek na de oorlog wel. Velen deelden toen in de overwinning. Maar er gingen ook mensen de kampen in… Het lag er maar aan bij wie je hoorde. Vooral bij wie je hoorde in oorlogstijd…

Christenen willen behoren bij Jezus Christus. Jezus Christus, die overwinnaar is. Hij overwon dood en graf. En Hij heeft gezegd dat wie Hem volgen, in Zijn woorden geloven, ook eens in die overwinning zullen delen. Daarom heten christenen ook overwinnaars. Ze hebben zelf niet gewonnen. Maar geloven in Zijn overwinning. Ze zijn ervan overtuigd dat Zijn overwinning de rest van de geschiedenis van deze wereld bepaald. Het resultaat staat vast. De einduitslag is al bekend. Daar geloven zij in.

Overwinnaar zijn is daarom geen kwestie van voelen. Maar van geloven. Wat je voelt is pijn. Wat je voelt is aanvechting. Wat je gelooft is Zijn overwinning. Daarin zal je delen. En dat te weten, bepaalt nu al je leven. Is het niet van buiten, dan zeker van binnen.

Lezen: Romeinen 8:35-37

Ds. Arie van der Veer

Huilen en schuilen

Bij schuilen moet ik altijd denken aan de profeet Elia die vluchtte voor de doodsbedreiging van koningin Izebel. Vluchten is wijs en moedig als er een ongelijke strijd geleverd moet worden. De tegenkrachten kunnen gewoon te sterk zijn en je trekt je terecht terug. De vraag is: waar vlucht je naar toe?

Elia vlucht naar de bron waar alles ooit begon. De berg Horeb waar Mozes God had ontmoet. Elia vluchtte, sliep doodmoe onder een braamstruik, werd door een engel gelaafd en gevoed. Hij moet op adem komen. En dan gebeurt het wonder: de vluchteling wordt pelgrim. Hij kijkt niet meer angstig over zijn schouder of hij achtervolgd wordt door de doodsbedreiging, maar richt zich op de Bron. De oorsprong wordt zijn doel. Eenmaal aangekomen bij die schuilplaats stortte hij tranen. Alles leek voor niets en voorbij. De Eeuwige kwam bij hem, maar vreemd genoeg, Hij ging niet in op Elia’s tranen, maar zei: ‘Kom naar buiten. Kom bij mij. Kom voor Abba, Vader, staan en zeg: ‘ Hier ben ik’.

Toen ging het niet meer over terechte angst en verdriet, maar over samen zijn met Hem. Weten: Hij is hier, bij mij, en ik bij Hem. Wat er dan gebeurt, is open. Is er een gezamenlijke stilte? Luisteren naar elkaars hart? Hoor je een woord? Droogt Hij jouw tranen? Spreek jij over jouw tranen? Alles kan…maar je bent nu bij de Bron, de beste schuilplaats. Misschien is het de plek waar je terugdenkt aan hoe alles tussen jou en Hem begonnen is. Hoe Hij trouw geweest is en jouw leven heeft gedragen. Misschien is het even zoeken, maar bij de Bron ontstaat ook dankbaar terugzien en opzien. Dan gaat Elia de berg af. Niet meer als zoeker naar de Bron, maar als volgeling de nieuwe dag in.

Otto de Bruijne