Nieuw leven

De laatste tijd tiereliert er met enige regelmaat een stukje tekst door mijn hoofd. De woorden corresponderen aardig met hoe het nu gaat. ‘When all is said and done’. Als alles is gezegd en gedaan, wat dan? ‘Vangt dan het nieuwe leven aan’? De diagnose is gesteld, de behandelingen zijn volbracht, de eerste controles zijn geweest, het werk is weer op honderd procent gebracht. En nu? Is het klaar? Over? Uit? Stap ik hernieuwd de lente in?

‘When all is said and done’. De rest van het liedje weet ik niet en dat is wel typerend voor nu. Ik ben in het sociale leven ook wat mijn tekst kwijt. Ik zie de mensen, onbekenden, bekenden, neem waar wat ze doen, wat ze zeggen, doe wat ik hoor te doen en dat is het dan. Ik leef ook nog wel mee, verdiep me momenteel in kraammoeders, reken in babyzaken maten en maanden uit, ga op kraambezoek, tuttel met het wereldwondertje en houd de kleine dreutel graag even in mijn armen.

Niet overal en voortdurend wil ik herinnerd worden aan mijn eigen wereld, die zover af staat van het nieuwe leven waarmee ik net in mijn armen heb gestaan. Maar ik kan ook niet ontkennen dat het confronterend is. Dat lieve onschuldige wezentje op mijn arm zoekt automatisch met het mondje naar iets om op te sabbelen. Dat kan zij ook niet helpen. Weet zij veel dat daar niets meer zit.

Het nieuwe leven voltrekt zich inmiddels om me heen. De zon lokt. Sneeuwklokjes, krokussen ontluiken. De eerste bloesem is gearriveerd. Ik sta erbij en kijk ernaar. Observeer. Constateer. Ben erbij, maar ben er ook niet bij. Koester me in de zon en ben boos op de zon. Wil roepen: ‘Laat me!’, maar fluister tegelijkertijd onhoorbaar ‘Houd me vast’. Doe mijn werk met plezier en zit futloos thuis. In die verwarring, die dubbelheid heb ik mijn handen vol aan mezelf. De vaart is er nog uit. Het twinkelen nog gedempt. Ook dat is nieuw, anders nieuw. Ergens in mij weet ik: deze tijd moet – sterker nog: mag – ik mezelf gunnen. Ik veer wel weer op, maar nu nog even niet.

N.B. Deze column komt uit mijn boekje ‘Zolang ik leef eet ik gebak. Toch kanker’ en draag ik op aan de mensen die – net als ik 8 jaar geleden – momenteel middenin de ‘kankerbusiness’ zitten. Hetzij doordat ze zelf de diagnose hebben gekregen, hetzij doordat een geliefde hierdoor is geraakt.
Julia Molenaar
www.juliamolenaar.nl

Bijwoner

De sterkste zin die ik deze week te horen kreeg, kwam van mijn tandarts. Ik had de beste man opgezocht vanwege -niet lachen! – “een voortand die naar een ‘konijnenstand’ solliciteert. Zo nu en dan wijst iets of iemand me erop en de laatste keer waren het de vakantiefoto’s. Aangezien ik toch in een tijd van revisie zit, dacht ik: ‘Die tand kan er ook nog wel bij.’ Ik was snel klaar bij de tandarts. Hij schilderde een scenario van een complete beugel en ik had me stellig voorgenomen: geen beugel tenzij… Bovendien vond hij het nog wel meevallen. Citaat: ‘Het hoort gewoon bij je’. Heerlijk! Ik was het hartgrondig met de beste man eens. Hij ging nog even door met zeggen dat juist afwijkingen iets eigens gaven en dat de tegenwoordige gebitten zo mooi op een rijtje staan en of dat nu het einde is. Ik heb hem nog net niet gezoend en ook niks gezegd over zijn gekleurde haren.
‘Het hoort gewoon bij je’. Zo is dat. Bij mij. Net zo goed als dat het bij mij hoort dat ik geen dikke bos haar heb, geen maatje 38 en vast nog wel wat ongerechtigheden. Het maakt mij ‘mij’. Zo hoort het dus ook bij mij dat ik kanker heb gehad en dat de sporen daarvan de rest van dit leven zichtbaar blijven. En: zo hoort het er ook bij dat ik nog wel eens even de ‘kankerjungle’ inschiet. Klein voorbeeldje: het opdoen van een corsage. Hoe bevestig je zo’n ding? Precies: met een speld. Maar: dat is aan de kant waar de ‘nepperd’ huist. Natuurlijk prik ik daar niet in, maar de gedachte dringt zich wel even op. Wat als? Nog een voorbeeld: mijn buurvrouw en ik zouden elkaar naar de sportschool slepen. Strak plan, wat beweging kan geen kwaad. Bij binnenkomst lag er een inschrijfformulier voor een sponsortocht ten bate van Pink Ribbon. Bling! Bling! Daar flikkert opnieuw in neonletters het woord dat wat mij betreft even achter de (roze) gordijnen mag: borstkanker. Amper van die schrik bekomen, merk ik dat ik wat nerveus word van de drukte, de in mijn ogen energieke, krachtige, gezonde mensen, die even lekker gaan sporten. Ga ik dat ook doen? Een uur in een groep sporten? Slik. Het valt me tegen (van mezelf). Ik moet dit nu toch kunnen? Maar: willen is blijkbaar niet altijd kunnen.

Genoemde voorbeelden zijn kleine en soms grote speldenprikken die het dagelijks leven (en mij) prikkelbaar (kunnen) maken. Heus, ik probeer het. Ga wat meer naar sociale gelegenheden en poog mee te doen. Maar het blijft vreemd voelen en dat komt mede door die venijnige prikjes, die een ander niet door heeft en ook niet door hoeft te hebben, zeker niet op een feestavond. Waar dat vreemde dan in zit? Ik denk dat ik in een andere wereld heb geleefd waar ik tegen wil en dank in terecht ben gekomen. In die wereld is wat altijd logisch was en werkte, onlogisch geworden en het werkt niet meer. Of je goed kan vechten, telt bijvoorbeeld niet zoals in een gewoon gevecht. Kanker zit er of het zit er niet. Het is ook de wereld waar schone schijn wegvalt, waar een mens wordt teruggeworpen op het naakte bestaan, op zijn kern. Het is oorlog en jij zit er middenin. Pas als de rookwolken zijn opgetrokken, kun je het slagveld overzien. Hoe pak je daarna je leven weer op? Je wilt wel lachen tijdens de verjaardagsvisite, maar het wordt niet meer dan een grimas. Weemoed, heimwee naar toen alles nog ‘heel’ was, overvalt je op de meest gekke en ongepaste momenten. En je bent nog moe, moe van de schok, de strijd, de confrontatie tussen leven en dood, de onzekerheid over ‘wat is toekomst’. Je hebt gevochten uit het diepst van je tenen. Knokken om een uurtje te kunnen sporten hoort in die andere wereld, waar jij op dit moment vooral nog ‘bijwoner’ bent. Het zij zo. Of, om het met mijn tandarts te zeggen: ‘het hoort (nu) gewoon bij je’. Inclusief konijnentand-in-wording. Het is zoals het is. Ongewoon gewoon.
Julia Molenaar
www.juliamolenaar.nl

Dit is een (enigszins bewerkte) column uit het boek van Julia Molenaar: ‘Zolang ik leef, eet ik gebak. Toch kanker’.

Een tijd om te dansen

Kinderkanker tekent je. Niet alleen het zieke kind, maar ook moeder en vader, broer en zus. Het beïnvloedt het hele gezin. Angst, hoop, vreugde, vrede, vermoeidheid, zorgen, verlies, stress, vechten om te leven en vechten tegen de dood, nachtmerries, flashbacks en herbelevingen, uitputting… het hoort er allemaal bij.

Op 25 april 2005 zei een kinderarts de ijzingwekkende woorden: ‘Uw kind heeft kanker.’ Vier woorden veranderden eensklaps alles! Ons perspectief op het leven veranderde. We waren altijd dankbaar geweest voor kleine en fundamentele dingen in ons leven, maar vanaf die dag, koesterden we die nog meer. Dagelijkse momenten werden kostbare parels. De kankerreis van onze zoon veranderde ons. Het vormde ons tot wie we nu zijn.

Onze zoon Steven stierf aan kanker. Zijn dood beïnvloedt ons. Verlies, verdriet, verwarring, rouw… en hoop… horen er bij. ‘Ons kind is dood.’ Opnieuw veranderden vier bloedstollende woorden alles. Bij de laatste adem van ons kind werden we door pijn verscheurd. Nogmaals veranderde onze kijk op het leven. Het verwerken van het verlies van ons kind is een levenslang proces. Er komt geen ‘we zijn er overheen’ maar in plaats daarvan leren we omgaan met het gemis, in het volle besef dat we de dood van onze zoon nooit volledig te boven kunnen komen… tot de dag dat we weer zullen dansen.

‘Mam, kijk eens,’ zei vierjarige Lisa Joy. Diep in gedachten verzonken keek ik op terwijl ik verder typte op mijn laptop ‘Tot de dag dat we weer zullen dansen.’ Mijn dochtertje stond in het midden van de woonkamer. Ze had een lach van oor tot oor. Het kuiltje in haar linkerwang maakte haar extra schattig. Kijk, mama, wat ik kan! Ik keek naar mijn mooie meisje. Lisa droeg haar favoriete roze trui met geborduurde hartjes. Ik glimlachte. Die hartjes konden niet tippen aan het grote, gouden hart van mijn kleine meid. Ze droeg geen pantoffels maar stond met haar blote voetjes op de grijze tegelvloer.
‘Lisa, lieverd,’ zei ik, ‘je voetjes worden koud. Het is winter. Het sneeuwt. Je moet je schapenvacht pantoffeltjes dragen’. Plots vulde een schaterlach de kamer. Het vonkte van vreugde. ‘Mam, de sneeuw is buiten, niet binnen!’ riep ze. Haar grappige opmerking deed me grinniken. Vier jaar oud en al zo scherpzinnig, dacht ik.

‘Mam, kijk!’ Een geconcentreerde blik verscheen op Lisa’s gezicht. Ze stak haar armen in de lucht, zuchtte eens diep en ineens… maakte ze een kleine pirouette. ‘Lisa, dat is mooi!’ Onmiddellijk riep ze uitbundig: ‘Ik kan meer!’ Ze hield zich met haar linkerhand vast aan een stoel, boog haar lichaam wat naar voren en hield haar rechterbeen gestrekt hoog achter in de lucht. Vervolgens maakte ze een paar kleine, snelle sprongetjes. Ze eindigde haar optreden met een laatste pirouette. Ik applaudisseerde. ‘Bravo, lieverd, je bent een prachtige ballerina!’ Ze maakte een buiging en zei: ‘Dank je wel, mama.’ Ik sprong op en zei: ‘Ik hou ook van dansen.’ Vliegensvlug pakte ik mijn danseresje op, hield haar dicht tegen me aan en samen zwierden we rond in de woonkamer. ‘Kijk, Lisa’, zei ik. ‘Naar wat?’ vroeg ze. ‘Daar… in de spiegel.’ We zagen onszelf dansen. Lisa sloeg haar armpjes rond mijn nek en legde teder haar hoofd tegen het mijne, wang aan wang.
‘Mama,’ fluisterde ze, ‘het is zo goed.’

Op het dressoir in onze woonkamer staat een ingelijste foto van Steven, vlak voor hij leukemie kreeg. Stevens guitig gezichtje weerspiegelt vreugde en diepe voldoening. Wat hield mijn kleine jongen van dansen, knus in mijn armen!
Voor een ogenblik dacht ik aan 25 april 2005, de dag dat we aan een vreselijke tocht begonnen. Een tocht die niemand zou moeten maken. Elke reis door kanker-land is er één te veel. We kenden het verloop van de weg niet die voor ons lag – gelukkig – maar hoezeer verlangden we te weten wat we mochten verwachten! We stapten verder in geloof, vol hoop, in het volle vertrouwen dat God in controle was. We liepen, struikelden en soms moesten we onszelf vooruit slepen. Dansen hoorde er niet echt bij.

Tijdens onze reis hielden we ons vast aan geloof, hoop en liefde. Vandaag richten we ons nog steeds op deze drie. Maar de grootste daarvan is liefde. God zelf is liefde. En op een dag zullen we Hem zien. Hij zal al onze tranen drogen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen verdriet, geen pijn, noch angst noch gejammer, want al het oude zal voorbij zijn. En Hij die op de troon zit zal zeggen: ‘ie, Ik maak alles nieuw!’ (naar Openbaring 21:4-5).
En we zullen dansen. Opnieuw… en voor altijd. Vol van eeuwige vreugde.

Kristien Rocha (2014), Een tijd om te dansen uit ‘Stevens Regenboog(2014).