Myrthe (20): ”Ik dacht altijd dat hij beter zou worden”

csm_myrthe_bb04235730

Myrthe (20) was pas veertien toen ze hoorde dat haar vader kanker had. Negen maanden later overleed hij. Nu, na zes jaar, is de pijn er nog steeds: ”Ik zal nooit weten hoe het is om als twintigjarige een vader te hebben.”

”Op mijn veertiende kreeg mijn vader een hersentumor. Hij had last van uitvalsverschijnselen en ging naar de dokter voor onderzoek. Eerst dachten we dat het epilepsie zou zijn, want dat zit in de familie. Op de dag van de uitslag vertelden mijn ouders dat het kanker was. Mijn eerste gedachte was: ‘Okay.’ Het drong niet echt door, ik wist niet goed wat het inhield. Ik had kanker nooit van dichtbij meegemaakt.”

God huilt mee
”Het is snel gegaan voor mij. Als ik eraan terug denk, zijn er vlagen die ik mij herinner. Sommige stukjes ontbreken of zijn in die tijd langs me heen gegaan. Mijn vader heeft een half jaar thuis gelegen, hij was halfzijdig verlamd. Ik heb eigenlijk altijd gedacht dat hij beter zou worden, zelfs tot vlak voordat hij stierf. Ik bad of God mijn vader beter wilde maken hier op aarde. Ik had veel hoop, ik denk dat dat goed voor me is geweest, op die leeftijd. Een week voor zijn overlijden ging het zo slecht dat ik me afvroeg of het niet ergens egoïstisch was om te vragen of hij hier mocht blijven, terwijl hij zo ziek was en ernaar verlangde om naar God toe te gaan. Een week later overleed hij.

Mijn vader had gezegd dat we niet in het zwart mochten komen op de begrafenis. De auto’s waren wit, zoals hij dat wilde. Je vader begraven is heel zwaar, maar het was ook heel bijzonder. Toen we van de kerk naar de begraafplaats liepen, begon het een beetje te regenen. Het voelde alsof God met ons meehuilde en wilde laten zien dat het Hem ook verdriet doet. Het was heel, heel moeilijk om de kist definitief naar beneden te zien zakken. Dat was het zwaarste moment van de dag.”

Ik denk aan je
”Ik herinner mijn vader als een hele enthousiaste, vrolijke, sterke, grote, lieve vader. Heel aanwezig ook, hij bracht veel geluid met zich mee. Als hij thuiskwam, speelde hij altijd even een riedeltje op de piano. Mijn vader was gek op pianospelen. Als ik ergens een vleugel zie staan, moet ik meteen aan hem denken. En als ik pianospel hoor, raakt dat me. Dat hoor ik nooit meer van hem. Dan komt het even extra binnen hoe erg ik hem mis. Ik ben zelf ook muzikaal, dat heb ik van mijn vader. Ik zing en heb ooit geleerd om piano te spelen. Ik kan het waarschijnlijk nog, maar ik doe het niet meer. De drempel om dat op te pakken is te hoog.

Er was een soort onuitgesproken afspraak om mijn vader in gesprekken levend te houden. Mijn zusje was acht toen mijn vader overleed. Ook voor haar willen we herinneringen ophalen. We kunnen het er heel goed over hebben. Het vele praten en herinneringen ophalen helpen me om ermee om te gaan. Ik vind het nog steeds moeilijk om het verdriet toe te laten, omdat het echt heel veel pijn doet.

In het opwekkingslied ‘in het diepst de nacht’ zingen ze: ‘Waar bent U? In het diepst van mijn pijn roep ik het uit.’ Die momenten zijn er ook echt wel. Soms vraag ik me af: waarom? Ik zal het nooit echt begrijpen, maar ik weet dat God mij niet alleen laat. Hij heeft het ook niet gewild, dat stelt me gerust. Een liedje dat voorbij komt, een tekst die ik ergens zie of een zonnestraal op mijn huid doen me bedenken: ik hoef het niet alleen te doen, God laat mij niet los. Ook al voelt het niet altijd zo, Hij is er wel.

Mijn vader zei in zijn ziekteperiode dat hij een luikje boven zijn bed had waardoor hij naar de hemel kon kijken. Op het moment van zijn overlijden staarde hij naar dat luikje. Ik dacht: ‘Zou Jezus daar staan met zijn armen wijd open, zo van ‘kom maar’?’. Op momenten dat ik twijfel, denk ik daaraan.”

Gemis
”Ik zal nooit weten hoe het is om als twintigjarige een vader te hebben. Wat doet je vader dan? Ik denk dat het belangrijk is om te horen van je vader dat hij trots op je is, dat kan ik niet meer van hem horen. Ik mis ook dat ik ’s avonds op de bank tegen hem aan kan hangen. Ik kroop altijd bij hem op schoot. Ik heb geleerd om te genieten van kleine dingen, omdat ik weet hoe snel iets over kan zijn en dat niets vanzelfsprekend is.”

”Het verlies van mijn vader is er elke dag. Ik sta ermee op, ik ga ermee naar bed. Het is een deel van mij, het heeft mij gemaakt tot wie ik nu ben. In zekere zin heeft het me ook sterker gemaakt. Ik hoop dat ik in de toekomst mijn levenservaring kan gebruiken in mijn werk met mensen. Ik wil graag iets doen met rouwbegeleiding met jonge kinderen. Als iemand hetzelfde meegemaakt heeft, voel je dat aan en heb je minder woorden nodig. Omdat ik dat zelf zo fijn vond, wil ik er ook zijn voor anderen.”

”Ik kwam laatst de tekst tegen: ‘echte troost is dat je verdriet mag bestaan’. Het is al zes jaar geleden, voor de wereld moet je je leven alweer opgepakt hebben. Deze tekst vertelde dat de pijn het verlies er mag zijn. Juist nu, ook na zes jaar.”

Tekst: Lola Brouwer

Heb jij te maken (gehad) met kanker en wil je daar met andere christelijke jongeren over praten? Kom naar de ontmoetingsdag van ‘Als kanker je raakt – Young’ op zaterdag 28 mei in Katwijk. Info en opgeven via alskankerjeraakt.nl of young@alskankerjeraakt.nl.

Deze column is verschenen in de serie ‘Over leven met kanker’ op BEAM: www.eo.nl/beam.

Rozemarijn (17): ‘Ik had net zo goed nu geen mama meer kunnen hebben’

Rozemarijn-Over-leven-met-kanker_4b017deb73

Ondanks dat Rozemarijn nog maar zeven jaar oud was toen haar moeder kanker kreeg, weet ze er nog heel veel van. “‘Mama heeft kanker’. Ik denk dat die drie woorden de ergste woorden zijn die je in je leven te horen kunt krijgen.”

“Zeven jaar was ik toen er kanker werd geconstateerd bij mijn moeder. Ik had twee zussen van tien en dertien jaar, we waren allemaal nog heel jong. Mijn oma was ook ziek geweest, net als meer mensen in mijn familie. Zij was er wel aan overleden, dus dan is het toch wel dubbel schrikken.

Ook al was ik nog heel jong, ik weet het nog heel goed. Een vakantiehuisje in Duitsland wat voor altijd in mijn geheugen staat gegrift. Een herfstvakantie die ik nooit meer zal vergeten. De regen die tegen de ruiten tikte terwijl ik aan het puzzelen was op de grond. ‘Meisjes, komen jullie even aan tafel zitten?’ Enigszins tegensputterend gingen we zitten, ik op schoot, en Rosanne en Sarah op de stoel. Wat was er aan de hand? Toen de woorden van mijn vader: ‘Mama en ik willen jullie iets vertellen.’ En dan de desbetreffende, harde woorden. ‘Mama heeft kanker.’

Onze mama, mijn mama. Ik denk dat die drie woorden de meest erge woorden zijn die je in je leven te horen kunt krijgen.

Vanaf het moment dat we thuis kwamen, gingen we door een routine heen die ik nooit meer mee hoop te maken. De eerste chemo, de eerste bestraling, de eerste operatie. Door de chemo werd mijn moeder kaal. In plaats van te wachten op het uitvallen van haar krullende haren, besloot ze alles er vroegtijdig af te laten scheren door mijn vader. Ik zie ons daar nog zitten met z’n vijven. ‘Kijk eens, meisjes. Vreemd he? Maar wel een beetje mooi, toch? Voel maar eens. Nou heb ik geen haren meer.”

Doodzieke mama
“Sommige geluiden of momenten vergeet je gewoon niet meer. Het beeld van een doodzieke mama in haar ziekenhuisbed, of van een papa die compleet gesloopt was. Mijn vader en moeder waren dapper en hielden de tranen voor ons achterwege. Beiden bleven ze glimlachen, om voor ons de angst zo klein mogelijk te houden. Ze wilden mooie woorden spreken om ons beter te laten voelen. Ik heb daar nog steeds bewondering voor.

Voor mijn gevoel heeft mijn moeder heel lang in het ziekenhuis gelegen. Hoe lang dit precies was weet ik niet, maar de momenten dat ze niet thuis was hebben er wel ingehakt. Iedere avond naar het ziekenhuis om mama te bezoeken, dat was iets waar ik naar uitkeek als ik op school zat. Ik wilde mama weer zien en spreken en haar aan het lachen maken. Voor iedereen gaat het leven door, maar op het moment dat je met kanker te maken krijgt, ga je heel bewust van dag tot dag leven.”

Hechter
“Mijn moeder is – thanks to the Lord – genezen. De kanker heeft haar niet weten te verslaan, wij hebben gewonnen. God heeft ons hier doorheen gesleept. Ook als gezin zijn we door deze gebeurtenis sterker en hechter geworden. Ondanks dat dit niet de manier is waarop je het wil, is het toch een positief punt uit deze moeilijke periode.

Afgelopen jaar was ze tien jaar kankervrij. Daar sta je bij stil, en dan pas besef je hoe het ook af had kunnen lopen. Ik had net zo goed nu geen mama meer kunnen hebben. Ik had haar net zo goed alleen nog maar op een foto kunnen zien, of een verhaal over haar kunnen horen. Maar dat is niet zo. Ik kan haar in het echt zien, en de verhalen hoor ik ván haar.

Natuurlijk zijn de gevolgen van zo’n periode ingrijpend. Mama was moe, kon weinig ondernemen en werd arbeidsongeschikt verklaard. Ze kan nu nog steeds niet werken. Gelukkig heeft God haar, en ons als gezin, nooit laten vallen. Ik ben nog wel eens bang. Bang dat het terugkomt. Ik ben bang op de momenten dat mama ergens last van heeft en naar het ziekenhuis moet. Om haar ooit alsnog te verliezen. Soms denk ik terug aan die vreselijke tijd en kan ik direct gaan huilen. Maar al snel breekt dan mijn glimlach door, omdat ik weet dat ze nog bij me is.”

Heb jij te maken (gehad) met kanker en wil je daar met andere christelijke jongeren over praten? Kom naar de ontmoetingsdag van ‘Als kanker je raakt – Young’ op zaterdag 28 mei in Katwijk. Info en opgeven via alskankerjeraakt.nl of young@alskankerjeraakt.nl.

Deze column is verschenen in de serie ‘Over leven met kanker’ op BEAM: www.eo.nl/beam.

Rogier: ‘Mijn leven staat op pauze’

Over-leven-met-kanker_Rogier-Hoek_3e651c2bda

Het is niet de eerste, ook niet de tweede, maar de derde keer dat er bij Rogier (26) kanker is geconstateerd. En toch blijft hij nuchter. Rogier: “Ik heb de strijd om antwoord te krijgen op al mijn vragen opgegeven. Dat geeft rust.”

“Het was rond Pasen 2007, dat ik voor het eerst iets voelde in mijn nek. Ik was 17 jaar. De huisarts dacht dat ik opgezette lymfeklieren had door een verkoudheid. Totdat de knobbel in mijn nek ineens zo groot werd als een tennisbal. Er werd groot alarm geslagen en ik moest meteen door naar het ziekenhuis, waar ik op de afdelingen ‘hematologie’ en ‘oncologie’ belandde.  Termen waar ik nog nooit van had gehoord als naïeve 6 vwo-er. Heel geleidelijk kreeg ik in de gaten dat het goed mis met me was en dat het met kanker te maken had.

Tijdens mijn eindexamens had ik mijn eerste chemo. Gelukkig was die vrij licht, waardoor ik weinig bijwerkingen had. Ik werd wel kaal en kreeg wat concentratieproblemen, maar ik sloot al mijn vakken voldoende af. Ik heb wel gedacht: waarom dit? Waarom ik? Waarom nu? Gelukkig was de prognose goed. Natuurlijk, ik had kanker en het was ernstig, maar het was goed te behandelen. Overal om me heen werden gebedsgroepjes opgericht. Eén plus één was twee, natuurlijk zou ik genezen.”

Weer aan de chemo
“Dat gebeurde. Ik ging civiele techniek studeren aan de TU Delft, met de specialisatie verkeerskunde. Maar toen ik was afgestudeerd en ik een jaar had gewerkt bij een aannemer, kwam de kanker terug. Dat was in juni 2014. Ik moest weer aan de chemo, dit keer gevolgd door een autologe stamceltransplantatie. Dat wil zeggen dat mijn stamcellen werden ingevroren, mijn hele immuunsysteem werd verwijderd, waarna mijn stamcellen weer werden teruggeplaatst. Weer die spanning en weer die existentiële vragen. Opnieuw werd er heel veel voor mij gebeden en opnieuw werd ik beter.

De dokters hadden tegen me gezegd: als je deze behandeling hebt gehad, komt het niet meer terug. Komt het wel terug, dan heb je een groot probleem. Dus toen ik twee maanden geleden wakker werd doordat ik merkte dat er weer iets in mijn nek zat, raakte ik in complete paniek. Ik dacht letterlijk: nu ga ik dood. Waar de prognose de eerste twee keren hoopvol was, is dat nu echt heel anders. Op dit moment heb ik chemo’s om de ziekte onder controle te houden en ik wacht op een donor voor nog een stamceltransplantatie. Ik heb nog een lange weg te gaan en mijn toekomst staat helemaal niet vast.”

Huisje, boompje, beestje
“Je bent er zo nuchter over, zeggen mensen wel eens tegen me. Natuurlijk heb ik nog wel mijn angstmomenten. En inderdaad, je hoort op deze leeftijd nog niet na te denken over de dood. Het is soms echt frustrerend. Leeftijdsgenoten zijn bezig met huisje, boompje, beestje, ik woon nog thuis omdat ik verzorging nodig heb. Ik kan niet solliciteren, want ik kan elk moment een zware behandeling ingaan. Mijn leven staat op pauze.

Toch heb ik de strijd om antwoord te krijgen op al mijn grote levensvragen opgegeven, want dat putte me uit. Mij geloof in God en het Evangelie bieden mij perspectief en geven mij rust in de vragen die onbeantwoord blijven. Doordat ik veel over het leven en de dood lees en nadenk, wordt het bekend terrein voor me. Het verliest zijn lading niet, maar het wordt wel vertrouwder. En het maakt me een completer mens.

Pas hoorde ik het liedje ‘Treur niet’, met daarin de tekst ‘Proost op het leven en treur niet om mij’. Ik dacht: wat een leegte, wat een geestelijke armoede. Alsof de dood alleen maar een bron van treurnis kan zijn. Denk eens aan mensen als Moeder Theresa en Ghandi. Zij zijn overleden, maar nog steeds zijn ze een bron van inspiratie en levenskracht voor velen. Dat is voor mij het hoogste dat je kunt bereiken. Een bron van inspiratie zijn, ook na je dood.”

Heb jij te maken (gehad) met kanker en wil je daar met andere christelijke jongeren over praten? Kom naar de ontmoetingsdag van ‘Als kanker je raakt – Young’ op zaterdag 28 mei in Katwijk. Info en opgeven via alskankerjeraakt.nl of young@alskankerjeraakt.nl.

Deze column is verschenen in de serie ‘Over leven met kanker’ op BEAM: www.eo.nl/beam.

‘Jezus kijkt voor mij de dood in de ogen’

Rolf_SietsmaDeze uitspraak is van Rolf Sietsma. Deze opvallend positieve jongeman kreeg niet lang geleden te horen dat hij ongeneeslijk ziek is; uitgezaaide kanker in o.a. zijn lymfeklieren en longen. Enkele weken geleden heeft de redactie van onze nieuwsbrief hem benaderd met de vraag of hij een stukje wilde schrijven. Hij heeft ons toen laten weten dit graag te willen doen. Helaas is de gezondheidssituatie van Rolf de laatste weken dermate verslechterd dat hij hiertoe niet meer in staat is.

Rolf was 1 maart jl. in de uitzending van Hour of Power. Naar aanleiding daarvan heeft hij ook een interview gegeven voor het blad ‘Hoop Magazine’, uitgegeven door Hour of Power Nederland. Met goedkeuring van de redactie van ‘Hoop Magazine’ en uiteraard ook van Rolf zelf, hebben wij dit bijzondere interview in deze nieuwsbrief geplaatst:

‘Als afgestudeerd hotelmanager had hij nog een hoop mooie toekomstdromen; naar Australië gaan bijvoorbeeld, zelfstandig ondernemer worden, reizen….. ‘Of ik nu werk? Nee, was het maar zo. Kón ik maar werken. Vanwege een tumor in mijn rug zou dat nu te lastig zijn’, aldus Rolf. Maar opgeven? Dat lijkt niet in zijn woordenboek voor te komen.

Rolf: ‘Ik kijk de dood niet in de ogen. Jezus kijkt voor mij de dood in de ogen. Dus ik leef per dag en ik geniet van elke dag die ik krijg. Dat kan ik doen zonder angst en in het volle geloof dat er ook een wonder kan gebeuren. In de tijd dat ik op aarde ben en nog niet genezen, zal ik blijven getuigen van Gods kracht in mijn leven. Ik kan met anderen delen wat er allemaal speelt en dat is een ongelooflijk dankbare taak. Ik ben niet somber of angstig; ik heb rust. Ik ben gewoon heel erg benieuwd wat de toekomst gaat brengen. Want als het loopt zoals de artsen me voorspeld hebben, ga ik vroeg naar huis, naar onze Vader in de hemel. Maar ikzelf geloof anders en ik blijf hoop houden. Daarom ben ik benieuwd. Ik heb twee favoriete Bijbelteksten. De één zegt: ‘Als jullie in Mij blijven en Mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren’ (Joh. 15:7) en de andere tekst zegt: ‘Ik ben bestand tegen alles door Hem die mij kracht geeft’ (Fil. 4:13). Ik ben daar het levende voorbeeld van.’

De ziekte begon toen Rolf 19 jaar oud was. De artsen ontdekten een zeldzame vorm van kanker, maar zijn toekomst zag er optimistisch uit na een operatie. Rolf kwam in een controletraject terecht en twee jaar later ging het toch weer mis. Wéér werd hij geopereerd en leek alles goed. Tot afgelopen zomer. Rolf: ‘In een tijdsbestek van een half jaar is het allemaal heel snel gegaan. Het enige dat ze nu nog voor me kunnen doen, is door behandelingen proberen mijn leven te verlengen. Maar door de vele bijwerkingen van zo’n behandeling kies ik daar niet direct voor. Maar ik loop nog, heb af en toe wel pijn, maar het maakt voor mij niet uit. Opstapelend slecht nieuws maakt voor mij niet uit.’ Op de vraag of hij niet boos is op God, twijfelt hij geen moment. ‘Nee, omdat ik niet geloof dat de ziekte van God is. Ik denk dat er een vijand is die veel macht heeft hier op aarde.’

De afgelopen tijd is Rolf een aantal keren in de media geweest waarin hij zijn verhaal vertelt en andere mensen daarmee bemoedigt; de reacties zijn overweldigend. Maar wat als iemand in dezelfde situatie zit als Rolf? Wat zou hij hem of haar dan adviseren? Rolf: ‘Als je je hart aan Jezus hebt gegeven en als je gelooft wat Hij voor je heeft gedaan, hoef je je sowieso geen zorgen te maken. En als je ervan uitgaat dat die identiteit die je hebt in Christus waarheid voor je is, dan hoef je geen moment te buigen voor die ziekte. Dan is het leven net zo mooi met ziekte als zonder ziekte. Dat is niet een speciaal geheim of zo. Als de Bijbel echt binnenkomt bij je, dan weet je hoe je in rust mag leven. God wil je alles wat beloofd is in de Bijbel geven aan vrede, rust en liefde. Hoe moeilijk het pad ook is dat je bewandelt. Zelfs een dodelijke ziekte kan daar niet tegenop. Als je christen bent, mag je je daar aan vasthouden.

Het lijkt Rolf makkelijk af te gaan, het vertrouwen dat hij op God stelt. Hij is niet alleen positief, maar laat ook regelmatig een brede glimlach zien. Rolf: ‘Natuurlijk lach ik! Ik lach elke dag. Humor is belangrijk. Dat hebben mijn familie en ik ook geleerd, samen. We moeten thuis allemaal vertrouwen op God. Maar daar zijn we wel in gegroeid de laatste tijd. Ook de humor is er weer.’ Hij heeft duidelijk de situatie bij God losgelaten. Maar hoe doet hij dat? Rolf: ‘Het allerbelangrijkste is dat je éérst je situatie moet accepteren. Oké, ik ben ernstig ziek. Ik ben machteloos. Ik kan hier zelf helemaal niets aan veranderen. Als je dat weet, kun je het overgeven aan God. Dat is een eenmalig besluit geweest, maar ook iets waar ik dagelijks tegenaan loop. Zeker als ik pijn heb en niet kan slapen. Dan geef ik dat aan God. Over het algemeen geeft Hij me de rust die ik nodig heb, ook al is de pijn niet direct weg. En ik word regelmatig door Gods Geest bemoedigd en krijg ik ingefluisterd: ‘Het komt wel goed. Ik ben bij je’.

Bron: Hoop Magazine, een uitgave van Hour of Power Nederland, uitgave 73, maart 2015.

Soldaat maken

Mijn opdracht heb ik gehoord,
de taak heeft mij waakzaam gemaakt op alles wat ik zie en hoor.
De strijd is losgebarsten,
want mijn geweten blijft me bestoken.
Er ontstaat chaos in mijn hoofd,
het dreigt zich te ontladen.
Mijn gedachten schieten alle kanten op,
heimelijk probeer ik ze in het gelid te krijgen.
Mijn gedachten druk ik in tekens uit
en zet dat op papier.
In de afwezigheid van geluid en beweging
kan ik ongestoord mijn gedachten lanceren
om ze even snel weer neer te schieten.
Een bombardement aan nieuwe inzichten rukt op,
dan krijg ik zicht op de taak.
Een golf van bevrijding gaat door mij heen,
geschiedenis is hier beschreven.
Geheel met een bijzondere eigen inhoud,
mijn column neem het tot je en maak het soldaat.

©Nelleke Prins

Nieuw leven

De laatste tijd tiereliert er met enige regelmaat een stukje tekst door mijn hoofd. De woorden corresponderen aardig met hoe het nu gaat. ‘When all is said and done’. Als alles is gezegd en gedaan, wat dan? ‘Vangt dan het nieuwe leven aan’? De diagnose is gesteld, de behandelingen zijn volbracht, de eerste controles zijn geweest, het werk is weer op honderd procent gebracht. En nu? Is het klaar? Over? Uit? Stap ik hernieuwd de lente in?

‘When all is said and done’. De rest van het liedje weet ik niet en dat is wel typerend voor nu. Ik ben in het sociale leven ook wat mijn tekst kwijt. Ik zie de mensen, onbekenden, bekenden, neem waar wat ze doen, wat ze zeggen, doe wat ik hoor te doen en dat is het dan. Ik leef ook nog wel mee, verdiep me momenteel in kraammoeders, reken in babyzaken maten en maanden uit, ga op kraambezoek, tuttel met het wereldwondertje en houd de kleine dreutel graag even in mijn armen.

Niet overal en voortdurend wil ik herinnerd worden aan mijn eigen wereld, die zover af staat van het nieuwe leven waarmee ik net in mijn armen heb gestaan. Maar ik kan ook niet ontkennen dat het confronterend is. Dat lieve onschuldige wezentje op mijn arm zoekt automatisch met het mondje naar iets om op te sabbelen. Dat kan zij ook niet helpen. Weet zij veel dat daar niets meer zit.

Het nieuwe leven voltrekt zich inmiddels om me heen. De zon lokt. Sneeuwklokjes, krokussen ontluiken. De eerste bloesem is gearriveerd. Ik sta erbij en kijk ernaar. Observeer. Constateer. Ben erbij, maar ben er ook niet bij. Koester me in de zon en ben boos op de zon. Wil roepen: ‘Laat me!’, maar fluister tegelijkertijd onhoorbaar ‘Houd me vast’. Doe mijn werk met plezier en zit futloos thuis. In die verwarring, die dubbelheid heb ik mijn handen vol aan mezelf. De vaart is er nog uit. Het twinkelen nog gedempt. Ook dat is nieuw, anders nieuw. Ergens in mij weet ik: deze tijd moet – sterker nog: mag – ik mezelf gunnen. Ik veer wel weer op, maar nu nog even niet.

N.B. Deze column komt uit mijn boekje ‘Zolang ik leef eet ik gebak. Toch kanker’ en draag ik op aan de mensen die – net als ik 8 jaar geleden – momenteel middenin de ‘kankerbusiness’ zitten. Hetzij doordat ze zelf de diagnose hebben gekregen, hetzij doordat een geliefde hierdoor is geraakt.
Julia Molenaar
www.juliamolenaar.nl

Bijwoner

De sterkste zin die ik deze week te horen kreeg, kwam van mijn tandarts. Ik had de beste man opgezocht vanwege -niet lachen! – “een voortand die naar een ‘konijnenstand’ solliciteert. Zo nu en dan wijst iets of iemand me erop en de laatste keer waren het de vakantiefoto’s. Aangezien ik toch in een tijd van revisie zit, dacht ik: ‘Die tand kan er ook nog wel bij.’ Ik was snel klaar bij de tandarts. Hij schilderde een scenario van een complete beugel en ik had me stellig voorgenomen: geen beugel tenzij… Bovendien vond hij het nog wel meevallen. Citaat: ‘Het hoort gewoon bij je’. Heerlijk! Ik was het hartgrondig met de beste man eens. Hij ging nog even door met zeggen dat juist afwijkingen iets eigens gaven en dat de tegenwoordige gebitten zo mooi op een rijtje staan en of dat nu het einde is. Ik heb hem nog net niet gezoend en ook niks gezegd over zijn gekleurde haren.
‘Het hoort gewoon bij je’. Zo is dat. Bij mij. Net zo goed als dat het bij mij hoort dat ik geen dikke bos haar heb, geen maatje 38 en vast nog wel wat ongerechtigheden. Het maakt mij ‘mij’. Zo hoort het dus ook bij mij dat ik kanker heb gehad en dat de sporen daarvan de rest van dit leven zichtbaar blijven. En: zo hoort het er ook bij dat ik nog wel eens even de ‘kankerjungle’ inschiet. Klein voorbeeldje: het opdoen van een corsage. Hoe bevestig je zo’n ding? Precies: met een speld. Maar: dat is aan de kant waar de ‘nepperd’ huist. Natuurlijk prik ik daar niet in, maar de gedachte dringt zich wel even op. Wat als? Nog een voorbeeld: mijn buurvrouw en ik zouden elkaar naar de sportschool slepen. Strak plan, wat beweging kan geen kwaad. Bij binnenkomst lag er een inschrijfformulier voor een sponsortocht ten bate van Pink Ribbon. Bling! Bling! Daar flikkert opnieuw in neonletters het woord dat wat mij betreft even achter de (roze) gordijnen mag: borstkanker. Amper van die schrik bekomen, merk ik dat ik wat nerveus word van de drukte, de in mijn ogen energieke, krachtige, gezonde mensen, die even lekker gaan sporten. Ga ik dat ook doen? Een uur in een groep sporten? Slik. Het valt me tegen (van mezelf). Ik moet dit nu toch kunnen? Maar: willen is blijkbaar niet altijd kunnen.

Genoemde voorbeelden zijn kleine en soms grote speldenprikken die het dagelijks leven (en mij) prikkelbaar (kunnen) maken. Heus, ik probeer het. Ga wat meer naar sociale gelegenheden en poog mee te doen. Maar het blijft vreemd voelen en dat komt mede door die venijnige prikjes, die een ander niet door heeft en ook niet door hoeft te hebben, zeker niet op een feestavond. Waar dat vreemde dan in zit? Ik denk dat ik in een andere wereld heb geleefd waar ik tegen wil en dank in terecht ben gekomen. In die wereld is wat altijd logisch was en werkte, onlogisch geworden en het werkt niet meer. Of je goed kan vechten, telt bijvoorbeeld niet zoals in een gewoon gevecht. Kanker zit er of het zit er niet. Het is ook de wereld waar schone schijn wegvalt, waar een mens wordt teruggeworpen op het naakte bestaan, op zijn kern. Het is oorlog en jij zit er middenin. Pas als de rookwolken zijn opgetrokken, kun je het slagveld overzien. Hoe pak je daarna je leven weer op? Je wilt wel lachen tijdens de verjaardagsvisite, maar het wordt niet meer dan een grimas. Weemoed, heimwee naar toen alles nog ‘heel’ was, overvalt je op de meest gekke en ongepaste momenten. En je bent nog moe, moe van de schok, de strijd, de confrontatie tussen leven en dood, de onzekerheid over ‘wat is toekomst’. Je hebt gevochten uit het diepst van je tenen. Knokken om een uurtje te kunnen sporten hoort in die andere wereld, waar jij op dit moment vooral nog ‘bijwoner’ bent. Het zij zo. Of, om het met mijn tandarts te zeggen: ‘het hoort (nu) gewoon bij je’. Inclusief konijnentand-in-wording. Het is zoals het is. Ongewoon gewoon.
Julia Molenaar
www.juliamolenaar.nl

Dit is een (enigszins bewerkte) column uit het boek van Julia Molenaar: ‘Zolang ik leef, eet ik gebak. Toch kanker’.

Een tijd om te dansen

Kinderkanker tekent je. Niet alleen het zieke kind, maar ook moeder en vader, broer en zus. Het beïnvloedt het hele gezin. Angst, hoop, vreugde, vrede, vermoeidheid, zorgen, verlies, stress, vechten om te leven en vechten tegen de dood, nachtmerries, flashbacks en herbelevingen, uitputting… het hoort er allemaal bij.

Op 25 april 2005 zei een kinderarts de ijzingwekkende woorden: ‘Uw kind heeft kanker.’ Vier woorden veranderden eensklaps alles! Ons perspectief op het leven veranderde. We waren altijd dankbaar geweest voor kleine en fundamentele dingen in ons leven, maar vanaf die dag, koesterden we die nog meer. Dagelijkse momenten werden kostbare parels. De kankerreis van onze zoon veranderde ons. Het vormde ons tot wie we nu zijn.

Onze zoon Steven stierf aan kanker. Zijn dood beïnvloedt ons. Verlies, verdriet, verwarring, rouw… en hoop… horen er bij. ‘Ons kind is dood.’ Opnieuw veranderden vier bloedstollende woorden alles. Bij de laatste adem van ons kind werden we door pijn verscheurd. Nogmaals veranderde onze kijk op het leven. Het verwerken van het verlies van ons kind is een levenslang proces. Er komt geen ‘we zijn er overheen’ maar in plaats daarvan leren we omgaan met het gemis, in het volle besef dat we de dood van onze zoon nooit volledig te boven kunnen komen… tot de dag dat we weer zullen dansen.

‘Mam, kijk eens,’ zei vierjarige Lisa Joy. Diep in gedachten verzonken keek ik op terwijl ik verder typte op mijn laptop ‘Tot de dag dat we weer zullen dansen.’ Mijn dochtertje stond in het midden van de woonkamer. Ze had een lach van oor tot oor. Het kuiltje in haar linkerwang maakte haar extra schattig. Kijk, mama, wat ik kan! Ik keek naar mijn mooie meisje. Lisa droeg haar favoriete roze trui met geborduurde hartjes. Ik glimlachte. Die hartjes konden niet tippen aan het grote, gouden hart van mijn kleine meid. Ze droeg geen pantoffels maar stond met haar blote voetjes op de grijze tegelvloer.
‘Lisa, lieverd,’ zei ik, ‘je voetjes worden koud. Het is winter. Het sneeuwt. Je moet je schapenvacht pantoffeltjes dragen’. Plots vulde een schaterlach de kamer. Het vonkte van vreugde. ‘Mam, de sneeuw is buiten, niet binnen!’ riep ze. Haar grappige opmerking deed me grinniken. Vier jaar oud en al zo scherpzinnig, dacht ik.

‘Mam, kijk!’ Een geconcentreerde blik verscheen op Lisa’s gezicht. Ze stak haar armen in de lucht, zuchtte eens diep en ineens… maakte ze een kleine pirouette. ‘Lisa, dat is mooi!’ Onmiddellijk riep ze uitbundig: ‘Ik kan meer!’ Ze hield zich met haar linkerhand vast aan een stoel, boog haar lichaam wat naar voren en hield haar rechterbeen gestrekt hoog achter in de lucht. Vervolgens maakte ze een paar kleine, snelle sprongetjes. Ze eindigde haar optreden met een laatste pirouette. Ik applaudisseerde. ‘Bravo, lieverd, je bent een prachtige ballerina!’ Ze maakte een buiging en zei: ‘Dank je wel, mama.’ Ik sprong op en zei: ‘Ik hou ook van dansen.’ Vliegensvlug pakte ik mijn danseresje op, hield haar dicht tegen me aan en samen zwierden we rond in de woonkamer. ‘Kijk, Lisa’, zei ik. ‘Naar wat?’ vroeg ze. ‘Daar… in de spiegel.’ We zagen onszelf dansen. Lisa sloeg haar armpjes rond mijn nek en legde teder haar hoofd tegen het mijne, wang aan wang.
‘Mama,’ fluisterde ze, ‘het is zo goed.’

Op het dressoir in onze woonkamer staat een ingelijste foto van Steven, vlak voor hij leukemie kreeg. Stevens guitig gezichtje weerspiegelt vreugde en diepe voldoening. Wat hield mijn kleine jongen van dansen, knus in mijn armen!
Voor een ogenblik dacht ik aan 25 april 2005, de dag dat we aan een vreselijke tocht begonnen. Een tocht die niemand zou moeten maken. Elke reis door kanker-land is er één te veel. We kenden het verloop van de weg niet die voor ons lag – gelukkig – maar hoezeer verlangden we te weten wat we mochten verwachten! We stapten verder in geloof, vol hoop, in het volle vertrouwen dat God in controle was. We liepen, struikelden en soms moesten we onszelf vooruit slepen. Dansen hoorde er niet echt bij.

Tijdens onze reis hielden we ons vast aan geloof, hoop en liefde. Vandaag richten we ons nog steeds op deze drie. Maar de grootste daarvan is liefde. God zelf is liefde. En op een dag zullen we Hem zien. Hij zal al onze tranen drogen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen verdriet, geen pijn, noch angst noch gejammer, want al het oude zal voorbij zijn. En Hij die op de troon zit zal zeggen: ‘ie, Ik maak alles nieuw!’ (naar Openbaring 21:4-5).
En we zullen dansen. Opnieuw… en voor altijd. Vol van eeuwige vreugde.

Kristien Rocha (2014), Een tijd om te dansen uit ‘Stevens Regenboog(2014).