Mijn strijd

envelopHet was fijn om kaarten te krijgen. Van zoveel mensen, zoveel verschillende mensen. Het ontroerde me dat anderen aan je denken en de moeite nemen om naar goede woorden te zoeken die jou kunnen helpen. Kaarten die ik mocht ontvangen nu ikzelf geraakt was door kanker. Kaarten die ik mocht leren ontvangen, want liever stuur ik ze zelf.

Ik kreeg ook kaarten van mijn werk. En ik werd gebeld. Gebeld door de teamleider. Hij vroeg hoe het was gegaan, hoe het met me ging en of ik niet eens een kopje koffie kon komen drinken op het werk. Ik gaf antwoord, vertelde mijn verhaal, maar voelde intussen dat er een druk op me afkwam. Ik gaf aan dat ik er nog even mee wilde wachten, omdat ik me nog niet zo sterk voelde. Maar een volgende keer, een volgende week, belde hij weer. Misschien goed bedoeld, maar toch. Ik voelde de druk toenemen, alhoewel er werd uitgelegd waarom het goed voor me zou zijn. ‘Dan blijft de drempel niet zo hoog, dan kom je als vanzelf weer binnen’.

Het bleef me bezig houden, mijn hoofd was nog te vol. Ik had zelf het gevoel dit niet te willen en nog niet te kunnen. Het was niet mijn manier om zo weer op het werk te komen. Ik stelde me voor dat ik dan juist het middelpunt zou worden van betrokkenheid, vragen, veel vragen. Want waarover zou je het anders hebben, als je ‘zomaar eens op de koffie komt’?

Ik wilde terugkomen op mijn eigen manier en op mijn eigen tijd. Werd me die tijd en die ruimte gegeven? Ik besloot er niet op in te gaan, maar probeerde mijn eigen weg hierin te gaan. De kanker zat niet meer in mijn lijf – als het goed was – maar nog wel in mijn hoofd. De drempel om zomaar eens koffie te gaan drinken na alles wat er met en in me gebeurd was, was te hoog. En dat kwam met name doordat ik geen echt begrip ervoer van mijn teamleider. Hij zat meer op de stoel van de functionaliteit en dat het werk door moest gaan. En toen hij de druk nog meer opvoer, dat ik ‘nu toch maar met een paar uurtjes moest gaan beginnen’, toen brak er iets in mij.

Ik huilde. Ik huilde op mijn werk. De plek waar ik me altijd zo goed had gevoeld, was voor mij even niet meer betrouwbaar. Daarom zocht ik bij anderen en in mijzelf naar de weg die bij mij paste. En ik deelde dit met God. In mijn kwetsbaarheid door de kanker had ik die kracht zo nodig. Natuurlijk wilde ik wel weer graag kunnen werken en de draad van het leven weer oppakken, maar dan op mijn manier.

En zo ben ik op een gegeven moment naar een activiteit op mijn werk gegaan, waarbij ik achter in de zaal ging zitten. Zodat ik er wel bij was, maar niet opviel. En zo is het me uiteindelijk gelukt om terug te komen. Maar het koste wel strijd. En het vroeg tijd…

Dorien

Het gevecht

Met neerhangende schouders liep de huisarts die middag onze voordeur uit. Mijn oog viel op zijn ongewone gang toen hij naar zijn auto liep. Meteen rook ik onraad. Deze bekwame dokter miste nooit een diagnose. En nu had hij zojuist voor mijn man een ziekenhuisopname geregeld. En niet voor niets, ging er door me heen!

Die nacht lag ik lang wakker. In gedachten organiseerde ik tot in de puntjes zijn hele begrafenis… Vanaf dat moment begon voor mij het gevecht. Het gevecht als naaste. In mijn gevecht betrok ik ook God. Riep Hem in mijn machteloze woede ter verantwoording. ’Waar was dit voor nodig om een jonge vader van drie kinderen nu al weg te gaan nemen?’

Achteraf vermoed ik dat zijn eigen gevecht al enkele weken eerder was begonnen. Ik had het aan zijn blik gezien. Hoge koortsen belaagden hem constant. En de oorzaak was onduidelijk. Die oktobermaand was voor ons beiden de start van een innerlijk gevecht. Het zou bijna twee jaar duren.

Een gevecht ontstaat doorgaans in ons leven wanneer er zich een gang van zaken voltrekt waar wij het totaal niet mee eens zijn. Waar wij ons met hand en tand tegen verzetten. Geen mens wil met kanker worden geconfronteerd. Laat staan met de dood te maken hebben. Een mens wil leven!

Als wij de Bijbel lezen, merken wij dat wij niet de enigen zijn die een gevecht met onszelf leveren. Een opmerkelijk voorbeeld is dat van Hizkia. Deze koning wordt ernstig ziek en moet de dood onder ogen zien. Het slechtnieuwsgesprek wordt door een profeet gevoerd. Profeet Jesaja: ‘De koning kan maar beter alles gaan regelen.’ Hizkia reageert afwijzend en keert demonstratief zijn rug naar Jesaja toe. Hij neemt de man Gods deze onheilsboodschap allesbehalve in dank af.

Hizkia was jong koning van Juda geworden. Op zijn vijfentwintigste. En nog steeds, na bijna dertig jaar regeren, heeft hij grootse plannen. Hij wil vanuit Jeruzalem zijn rijk verder uitbreiden. Bewust wil hij ook een goede koning zijn. Hij draagt iedereen op zich aan de wetten van Mozes te houden. Hij is een ambitieus man, een koning met visie. Ziekte komt hem wel heel slecht uit.

Hij laat het er dan ook niet bij zitten. Hizkia gaat met God in gesprek. Hij wijst Hem er op dat hij heeft gedaan wat goed in diens ogen was. Hij is trouw geweest en heeft steeds vanuit zijn hart gehandeld. Dan wordt hij door emoties overmand. Dikke tranen lopen langs zijn wangen. Hij huilt hartverscheurend.

De reactie van deze zieke koning roept ook nu nog, na zoveel eeuwen, herkenning bij ons op. Van meet af aan begint bij hem het gevecht. Ieder mens, direct of indirect door kanker geraakt, moet onvermijdelijk ook persoonlijk het gevecht voeren. Ieder in de eigen omstandigheden. Plotseling stilgezet in een soms drukbezet leven. Alle aanlokkelijke toekomstplannen voorlopig in de kast…

Talloze vragen maken deel uit van deze innerlijke strijd. Hoe lang zal deze onzekere periode duren? Welke weg ligt er voor mij? Vragen vooral van degene die kanker heeft. Wat betekent dit voor ons gezin? Hoe zal mijn partner met de ziekte omgaan? Vaak vragen van degene die met kanker van de ander wordt geconfronteerd. En de hamvraag bij beide partijen is of er wel genezing mogelijk zal zijn.

Tussen haakjes, het onderhandelen van Hizkia had resultaat. Maar liefst vijftien jaar werd aan zijn leven toegevoegd. Wat had mijn man dat destijds ook graag gewild! En ik niet minder!

In alles wat er dan gebeurt, ontbreken dan ook de emoties niet. Mogelijk verschijnen ook bij ons zelfs wel extra tranen. Wellicht zijn wij ook met God in gesprek gegaan om te onderhandelen. Zo gauw geven wij ons immers niet gewonnen! Ons gevecht gaat altijd ook gepaard met rouw. Vaak zijn wij ons dat niet eens bewust. Rouw omdat er op allerlei fronten verlies is opgedoken. Allereerst rouw bij de zieke zelf. Rouw om de beperkingen die het eigen ziek zijn aan verlies met zich meebrengt. In het licht van het bedreigde leven wordt het steeds meer af moeten zien soms nog intenser beleefd. Daarnaast ook rouw bij de naasten. Vooral ook om de angst voor verlies van hun dierbare.

Alleen door het gevecht onder ogen te zien, kan onze weg begaanbaar worden. Want het hoort er allemaal bij: vragen die opkomen, emoties die plotseling verschijnen en ook de gevoelens van rouw. Leven met kanker gaat niet zonder innerlijke strijd. Tot het geraakt zijn door kanker behoort όόk het gevecht. Helaas!

Gettie Kievit-Lamens

Vechten

Als ik om me heen kijk,

wordt er gevochten,

met staal en stem is er strijd

tussen leven en dood.

Zie ik wanhoop in de dood

en hoop ik op liefde,

leven en geven.

 

Als ik om me heen hoor,

wordt er ook gevochten.

Mijn vriendin hoort een uitslag

die haar leven op slag en met stoot

verandert door kanker.

Zij strijdt in liefde voor haar leven,

zij strijdt voor hoop.

Zij geeft zich over in geloof.

 

Als ik om me heen kijk,

wordt er steeds gevochten,

een oude moeder om haar zieke zoon,

een jonge vrouw om haar strijdende vader,

een man voor zijn vrouw.

Ze bidden in geloof,

ze lijden in liefde,

ze vechten vol hoop

en leven in geven.

 

Als ik in mezelf kijk,

weet ik over mijn gevecht,

toen ook ik kanker kreeg.

Hoe mijn leven veranderde

en de dood te dichtbij kwam.

Mijn hoop was mijn geloof,

ons gebed was de kracht om te overleven,

wat mij Goddank is gegeven.

 

Als Ik zie,

Als Ik hoor,

Dan strijd Ik voor jou.

Chemo

Langzaam druppelt het gif in je lijf,
je hebt geen keus.

Langzaam wordt je lijf vergiftigd,
het protesteert, gaat vreselijk tekeer.

Langzaam raken bloedlichaampjes van slag,
moeheid neemt toe, haar valt uit.

Langzaam wordt zichtbaar aan je lijf
dat er een strijd wordt gestreden.

Langzaam gaan de dagen, weken voorbij,
komt het einde in zicht.

Langzaam groeit het verlangen dat de chemo
zijn uiteindelijk goede werk heeft gedaan.

Langzaam laat je los wat is geweest,
de tijd moet leren hoe het verder zal gaan.

Uit het boek ‘Als kanker je raakt’, geschreven door Rita Renema-Mentink

Verder leven na groot verlies

Carien Hempel-FlipseEvenals in 2015 zal ik ook dit jaar aanwezig zijn op de ontmoetingsdag ‘Gebroken hart’. Ik heb de onderlinge betrokkenheid en openheid die ik vorig jaar geproefd heb, als zeer waardevol ervaren. Zelf heb ik geen kind verloren. Wel ben ik geraakt door kanker. Ik heb in 2013 kanker gehad. Daarnaast ben ik getrouwd met een man die zijn eerste vrouw verloren heeft aan kanker. Samen met hem zorg ik nu voor 3 pubers die op jonge leeftijd hun moeder verloren.

In het dagelijks leven werk ik als psychotherapeut en gezinstherapeut binnen de Geestelijke Gezondheidszorg. Vanuit mijn vak hoop ik gedachten aan te reiken die verder kunnen helpen. Ik ben hier ook toe gemotiveerd vanuit mijn geloof.

Graag deel ik enkele gedachten van vorig jaar.

Elk verlies dat je lijdt doordat een geliefde sterft is anders.
Er wordt wel gezegd dat je je verleden verliest als je ouders overlijden.
Dat je het heden verliest als je partner overlijdt.
En dat je je toekomst verliest als je kind overlijdt.

Rouwen heeft een universeel karakter: er zitten aspecten aan die voor iedereen hetzelfde zijn. Waar ter wereld je ook woont. En welk verlies je ook hebt geleden. Maar rouwen heeft ook een individuele kant: het is voor iedereen weer anders. En het is heel persoonlijk.
Hoe het verwerken van het verlies van je kind gaat, hangt van heel veel factoren af.
Van de leeftijd van je kind. Was hij/zij nog jong of (bijna) volwassen.
Van de omstandigheden. Hoe het ziekbed is verlopen.
Hoe je huwelijk is. Welk gezin je hebt en in welke fase het gezin zich bevindt.
Hoe je God in dit alles ervaart: dichtbij of juist heel ver weg.

In onze tijd is het verwerken van een verlies sterk teruggedrongen naar het privé terrein van het leven. De rouw speelt zich steeds meer verborgen af. Veel gebruiken zijn weggevallen. Er bestaat nauwelijks rouwkleding meer. Gordijnen worden niet gesloten.
Of dat erg is, weet ik niet, maar de rouwende mens is daardoor wel onzichtbaarder en ook veel anoniemer geworden. Soms lijkt er zelfs een taboe te heersen: mensen ontlopen degene die in de rouw is. Of ze maken wel contact maar durven het gemis en het verdriet niet ter sprake te brengen. Dat kan een groot gevoel van eenzaamheid geven.
Daarin is ook de tijdsgeest voelbaar. In een samenleving die het lijden en alles wat moeilijk is uit de weg wil gaan en wil verbergen, kan de mens die verdriet en verlies ondervindt zo gemakkelijk in een isolement terecht komen. Verdriet kan dan niet doorleefd worden.

Daarom is het van waarde om elkaar te ontmoeten. Naar elkaars verhalen te luisteren. Het gemis te delen, je verdriet te uiten. Want dat werkt genezend, elke keer een heel klein beetje.

Misschien ontmoeten wij elkaar op 19 november aanstaande. Als ook jij graag wat wilt delen of ontvangen, dan hoop ik dat je de stap kunt zetten om te komen. Dat zou fijn zijn.

Carien Hempel-Flipse

‘De wonden zullen helen, maar echt genezen dat zal het nooit’

jitsevanderwal‘De wonden zullen helen, maar echt genezen dat zal het nooit. Ook al lijkt het van buiten, het litteken blijft en ik zou willen dat jij hier bij mij was, ik met je kon praten, jouw gezicht voor mij kon zien. Veel te vroeg hebben we afscheid moeten nemen en de leegte die je achterliet vult mijn leven (…) En ik voel je nog steeds om me heen, al ben je dood, de herinnering leeft voor altijd.’

Deze liedtekst van de cd Uit de wind draag ik met mij mee vanaf 24 januari 2001. Op die dag is Joanne, onze dappere dochter en zus, bevrijd van die vreselijke hartspierziekte, die haar verder leven onmogelijk maakte. Zij is thuis bij haar en onze hemelse Vader, geborgen in Jezus Christus. Hier is Joanne 3 jaar en 2 maanden geworden. Vanaf die dag vult de leegte die zij achterlaat het leven van Janny en mij en van onze drie andere kinderen die toen 12, 10 en 8 jaar waren.

Op 22 mei jl. is mijn omgaan met dit ingrijpende verlies in het EO-programma ‘Bakkie Troost’ te zien geweest. Psalm 13 is voor mij een gevechtspsalm die mij eigen is geworden: grote vragen aan God, tot het zelfs Hem ‘op het matje roepen’. En dan toch zo door Hem geraakt worden, dat je beseft dat je niet zonder Jezus Christus kunt.

Naar aanleiding van de uitzending van ‘Bakkie Troost’ ben ik gevraagd om mee te werken aan de ontmoetingsdag ‘Gebroken hart’ van 19 november a.s. Dat vind ik spannend, omdat ik als vader kwetsbaar ben door dit verlies. Tegelijk is samen huilen, samen lachen, samen delen, samen vechten zó belangrijk. En zeker vanuit het houvast in Jezus Christus, Hij die alles voor ons is.

Jitse van der Wal

PS. De door Jitse genoemde liedtekst is afkomstig uit het lied ‘Veel te vroeg’ van de cd Uit de wind (1999), door gelegenheidspopgroep Wij, Ron van der Wiel (componist), Handkerchief Projects.

Onderweg

Kristien RochaSchoorvoetend loop ik het zaaltje binnen. Wat heb ik me nu weer op de hals gehaald? Hoewel. Ik heb naar deze dag uitgekeken. Moeders en vaders ontmoeten die weten wat een ziekbed en overlijden van een kind met je doet. Die beseffen hoe alles anders wordt en hoe niets vanzelfsprekend is. Die ook worstelen met het antwoord op de vraag: ‘Hoeveel kinderen heb je?’ Wiens leven, net als het mijne, getekend is door gemis. Om nog niet te spreken over de herinneringen aan de ziekte.

Met trillende stem stel ik me voor. Ik ben Kristien, gehuwd en moeder van vier. Ik ben lotgenoot. Mijn zoon Steven overleed in 2005. Hij had acute leukemie. Aandachtig luister ik naar de andere ouders. En ook al ken ik hen nog niet, ik voel me onmiddellijk verbonden. Onze kinderen brengen ons samen. Er zijn ouders van een overleden kind uit bijna elke leeftijdsgroep, van peuter tot volwassene. Maar de leeftijd doet er niet toe, het gaat om ‘het kind’. Als ouders zijn we kwetsbaar maar ook sterk. Ieder bewandelt zijn eigen verwerkingsweg. De ene zit al wat verder dan de andere. Ook in tijd na het overlijden.

Het is (h)erkennen, met een lach en een traan, elkaar bemoedigen, intens gemis uitspreken, pijn delen over de gevolgen van de ziekte van ons kind op ons leven (als individu, koppel, gezin, …), bewogen worden door liefde, vragen stellen en leren van elkaar, luisteren naar verhalen over prachtkinderen en schroom stil staan in een niet-begrijpen en toch willen begrijpen, maar niet kunnen. We zitten allemaal met vragen. Ook al kennen we de Heer. Soms is er geworstel of opstandigheid. Want we begrijpen er niks van. Maar dat mag. Hij kent ons door en door. En we mogen ons vastklampen aan Gods beloften en aan de hoop en toekomst die we hebben in Jezus.

Dit jaar brainstormden we met een groepje ouders over de invulling van de komende ontmoetingsdag. Als thema kozen we ‘Leven na verlies’. Het verlies van een kind kennen we. En het daarbij horende verdriet ook. Dat is geen teken van zwakte, maar van diepe liefde. Ons verlies is voor het leven en we moeten leren leven zonder ons kind. ‘Leven na verlies’ zijn slechts drie woorden, maar het houdt zoveel in.

In 2012 leerde ik de stichting Als kanker je raakt kennen via de Landelijke Ontmoetingsdag te Amersfoort. Mijn contact was ds. Arie van der Veer. Op 6 december 2009 gaven we als gezin een getuigenis over Stevens leven voor het EO-programma ‘Nederland Zingt op zondag’. Binnen de stichting heb ik heel fijne mensen leren kennen. Het heeft me niet alleen geholpen op mijn weg, maar het heeft mijn leven ook enorm verrijkt. Sinds 2013 werk ik mee met de AKJR-groep ‘Gebroken hart’ voor ouders van een overleden kind.

Weet dat ik er wil zijn voor jou. Ik weet hoe het is een kind te missen. We bewandelen eenzelfde weg.

Kristien Rocha

Hij heelt hun hart, dat gebroken is, Hij verbindt hun wonden. Psalm 147:3

Waar is de zandbank waarover ik veilig kan terugkeren?

54963996_s_zandbankGoede Vrijdag 2007. Tegelijkertijd met het herdenken van het lijden en sterven van Christus werd bij mij de diagnose lymfeklierkanker gesteld, de ziekte van non-Hodgkin. Deze ziekte werd ontdekt en voor het eerst omschreven door de

19e-eeuwse hematoloog Thomas Hodgkin. Waarom iemand een dergelijke slopende ziekte – die in mijn geval zeer lang zou blijven sluimeren – naar zichzelf zou willen vernoemen, is mij een compleet raadsel. Een behandeling met chemokuren en bestralingen volgde en na een jaar kwam het goede nieuws: ik was in remissie.

Intense vreugde. Het herstel bleek niet duurzaam, want in 2014 werd een recidive van dezelfde ziekte ontdekt. Naast chemokuren maakte ook een stamceltransplantatie deel uit van de tweede behandeling. Een moeilijke en fysiek zware periode, maar weer volgde een remissie. Wederom vreugde en feest. Het vocht in de feestglazen was nauwelijks opgedroogd of de ziekte diende zich voor de derde keer aan, in februari jl. En daar ben ik dan: na een reeks chemokuren bevind ik mij wederom in de angstaanjagende periode in aanloop naar een stamceltransplantatie.

De vraag wat kanker met je doet, is zo generiek en alomvattend, dat geen enkel antwoord recht doet aan de situatie waarin kankerpatiënten zich bevinden. Toch zal ik proberen een persoonlijk antwoord te schetsen aan de hand van een metafoor. De metafoor betreft een drenkeling die zich in een mui bevindt, een beeld dat voor mij persoonlijk voor de hand ligt, omdat ik in Katwijk woon en actief ben bij de plaatselijke reddingsbrigade. Het komt gelukkig niet vaak voor, maar wel té vaak, dat een badgast, genietende van een zonnige zomerdag, per ongeluk in een zeewaarts gerichte muistroom terechtkomt (een mui is een plaatselijke diepte tussen twee zandbanken haaks op de kust). Nietsvermoedend wordt hij steeds verder richting zee gevoerd door de waterstroom, tot hij plotseling ontdekt dat hij inmiddels een behoorlijke afstand van het strand is verwijderd. Enigszins overrompeld, maar niet ontmoedigd – het strand is immers nog binnen zwembereik – begint hij terug te zwemmen richting strand. Hij beseft daarbij niet dat hij zich nog in de zeewaarts gerichte muistroom bevindt. Tegen de stroom in talmen is spreekwoordelijk geen sinecure, maar in zee vaak noodlottig. De badgast merkt na verloop van tijd dat, ondanks zijn verwoede pogingen, het strand maar niet dichterbij lijkt te komen. Hij probeert steeds sneller te zwemmen en raakt steeds vermoeider en met de vermoeidheid neemt ook de paniek toe. De goed geïnformeerde strandbezoeker weet dat wanneer hij in een muistroom terecht komt, hij dan evenwijdig aan de kust naar een zandbank moet zwemmen, om vervolgens over de zandbank, waar geen zeewaarts gerichte stroom staat, terug te keren naar het strand. Maar al te vaak komt het voor dat strandbezoekers hiervan niet op de hoogte zijn en door de vermoeidheid uiteindelijk niet meer in staat zijn het hoofd boven water te houden.

In mijn ziekteperiode voel ik mij net als die badgast in de muistroom: overrompeld, vermoeid, in paniek, ontredderd, ontheemd, verlangend naar huis waar alles goed is. De herkenningspunten aan de kust die symbool staan voor alles wat zeker leek en waar ik mijn leven en overtuigingen op fundeerde, worden steeds kleiner. Het water wordt steeds donkerder en kouder. De irrelevante zaken verbleken, alleen de fundamentele vragen blijven over. Waar is het einde van deze totale uitputtingsslag? Waar is de bodem? Hoe diep moet ik nog zinken? Waar kan ik mij nog aan vasthouden als alles wat met het leven te maken heeft van mij wordt afgesneden? Waar is de zandbank waarover ik veilig kan terugkeren? Zál ik terugkeren naar die oude vertrouwde kust met haar dierbare herkenningspunten? Wanneer leert U mij te lopen over het water?

Het klinkt absurd, maar steeds meer kom ik tot de overtuiging dat een mens juist in deze benarde positie volledig mens wordt. Op de plek waar hij wordt ontkoppeld van alles waar hij waarde aan hechtte, waar hij wordt onthecht van alles waar hij zijn vertrouwen op stelde, waar alles wat zeker leek in elkaar stort, juist daar is hij in staat om veranderd te worden. Juist daar kan God hem vormen tot Zijn evenbeeld. Omdat hij kneedbaar is geworden, omdat hij niet langer zijn vertrouwen stelt op schijnbare zekerheden en vanzelfsprekendheden. Dit is de ultieme paradox: datgene wat lijkt af te snijden van elke levensbron, vormt Hij om tot bron van levensvreugde.

De helden die meedoen aan Sport4Hope kiezen ervoor om zich over te geven aan een uitputtingsslag. Ik heb geen keuze, maar zij kiezen hier vrijwillig voor. Ook zij weten niet hoe diep de bodem zal zijn, maar zij hebben besloten om de race tot op de bodem uit te fietsen. Dát is pas bewonderenswaardig! Persoonlijk ben ik getuige geweest van de buitengewone fysieke prestatie die mede-organisator van Sport4Hope en goede vriend Mark heeft geleverd op de Alpe d’Huez. Maar liefst vier keer is hij de berg opgerend. De bodem was onpeilbaar diep, maar hij ging de strijd aan met de uitputtingsslag, de blik vastberaden gefixeerd op de eindstreep. In mijn eigen uitputtingsslag hoop ik in zijn voetsporen te treden. Wielrenners, helden van Sport4Hope, zet ‘m op! Niemand weet hoe diep de bodem zal zijn. Daarom verdienen jullie het diepste respect!

Rogier Hoek

De diagnose

Waar komt mijn hulp vandaan?’

‘De uitslag van de patholoog anatoom is binnen, u hebt lymfeklierkanker,’ zegt de professor tegen mijn man. Wij kijken elkaar aan. Gemengde gevoelens nemen bezit van ons. Met deze diagnose is aan maar liefst anderhalf jaar onzekerheid een einde gekomen. Mijn man was voorbereid. Ik daardoor ook. Een dag tevoren was de zaalarts langs gekomen. ‘Nu al vertel ik – en dit moet onder ons blijven – wat de professor morgen komt vertellen’, zei deze invoelende jonge arts. Ondanks deze voorkennis is het onwezenlijk. Geen grond meer onder onze voeten.

Later op de dag zijn wij beiden nog steeds sprakeloos. Weten niet veel meer te doen dan in de ziekenhuistuin naar de volière te gaan kijken. Het is zomer en prachtig weer. Naast mijn man in de rolstoel ga ik op een bankje tegenover de volière zitten. In stilte kijken we naar de beweeglijke, kleurige vogeltjes. Ieder met onze eigen gedachten. Met woordeloos bidden ook. Een zuchten tot God: ‘Waar komt mijn hulp vandaan?’ Het bedreigde bestaan kijkt ons recht in de ogen.

Veel later zal pas echt tot me doordringen dat we met deze vraag aanklopten bij het hoogste adres dat bestaat. ‘Waar komt mijn hulp vandaan?’ is de noodkreet van de pelgrim, die door de gevaarvolle bergen op weg is naar Sion. God aanbidden in de tempel in Jeruzalem is zijn doel. De witregel voor het antwoord op de vraag in Psalm 121 deed mij, op dat moment jaren later, de adem inhouden. Hoe zou de reactie van de pelgrim zijn op deze door reële angst getekende uitroep? Dan staat daar als een verlossend woord beschreven: ‘Mijn hulp komt van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft’. Deze pelgrim heeft opeens ontdekt dat hij van het allerhoogste adres, van de eeuwige God zelf, hulp kan verwachten in dit levensbedreigende gevaar.

Mijn man ervoer in zijn lijden deze hulp daadwerkelijk. Hij werd getroost door zich te oriënteren op Jezus, de zoon van God. Zag dat Hij de volle verantwoordelijkheid nam voor zijn, op zijn zachtst gezegd, niet eenvoudige leven. Zag ook dat Hij ondanks grote verzoekingen en tot het bittere einde toe volhardend de weg vervolgde, die God voor hem bestemd had. ‘Waar Híj ging, kan ik gaan…’, was het liedzinnetje dat hem toen in de maanden na de diagnose hoop gaf. Door de wetenschap dat deze weg van navolging werkelijk toekomst bood, ontving hij de kracht en de moed om ook zelf vol te houden.

Dat volhouden niet vanzelfsprekend is daar weet jij alles van. Eenmaal werd immers ook bij jou de diagnose kanker gesteld. Zeer waarschijnlijk ook in tegenwoordigheid van je geliefde. Een partner is nauw betrokken bij alles wat er gebeurt in het leven van iemand met kanker. Samen zoeken naar hulp ligt dan voor de hand.

Op zoek gaan naar hulp geldt echter evenzeer voor ieder die er alleen voor staat. Elk mens met kanker voelt zich bedreigd en moet gevaar trotseren. Juist ook in deze eenzame situatie is het de moeite waard aan te kloppen bij het hoogste adres. In de Bijbel lezen wij dat degenen die voor zichzelf moeten opkomen door God extra in het vizier worden gehouden. Zijn beschermende liefde kent vele vormen en gedaanten.

Daarom, wat jouw situatie na de diagnose ook is, samen of alleen, er is hoop! Vast staat dat oriëntatie op het hoogste adres daadwerkelijk hulp kan bieden en zo een waar (gods-)geschenk blijkt te zijn!

Gettie Kievit-Lamens

Diagnose

Spannende dagen,

spanning door je hele lijf,

vragen, angsten,

wat zal de diagnose zijn.

 

Je hoopt, denkt, voelt, bidt,

dan het moment,

twee verschillende mensen,

twee verschillende opdrachten.

 

De één moet het slechte nieuws brengen,

de ander moet het slechte nieuws aanhoren,

woorden die worden gesproken zijn zwaar.

 

Gesprek gaat verder

over prognose, kansen, behandelmethode,

maar het zegt je even helemaal niets.

 

Op dit moment staat het leven op zijn kop,

gevuld met vragen, angsten,

chaos in denken, voelen,

in het hele zijn.

 

Uit het boek ‘Als kanker je raakt’, geschreven door Rita Renema-Mentink